You are currently browsing the category archive for the 'tibet' category.

Het broeide er al toen wij er waren. Veel politie. Vlakbij ons hotel was er een legerkazerne, daar zagen we de recruten trainen, elke ochtend, met veel geschreeuw van commando’s. In elke tempel die we hebben bezocht zat er politie, meestal een duo. Thee drinkend en spelend. In de grote Jokhang tempel regelde politie het verkeer van de pelgrims: doorlopen alstublieft. Ik heb me toen de bedenking gemaakt dat het wat vreemd was: stel je voor dat hier bij ons in elke kerk flikken zouden zitten. En wat een vernedering voor de bewoners, de monniken, die van ’s morgens tot ’s avonds bij hun religieuze activiteiten op de vingers werden gekeken. Tegenover het Potala Paleis: een vers aangelegd plein, gigantische oppervlakte, met in het midden een monument van de communistische partij, en een arrogant wapperende Chinese vlag. Een kaakslag voor het onafhankelijkheidsgevoel van de Tibetanen.

tegenover het potala paleis

En nergens, nergens een foto van de huidige Dalai Lama. Op onze tocht rond de Kailash, ver van de bewoonde wereld, kregen we de enige beeltenis te zien – onze gids haalde een klein medaillon te voorschijn dat hij om z’n nek droeg. Stopte het snel weer onder z’n kleren. De volgende dag, op de col, schreef hij een woord in de sneeuw: FREEDOM.

8 volle dagen in een jeep is wel genoeg, zelfs al is het een Toyota. De laatste dag zal ons tot aan de Nepalese grens brengen, van Saga tot Zhangmu. Acht uur vertrekken, zei onze chauffeur. Intussen weten we dat dat “voor 10 uur” betekent. Zodat we niet meer om 8 uur gepakt en gezakt zitten te rillen in de kou, terwijl hij nog doodgemoedereerd ligt te slapen. We begrijpen niet goed waarom hij op tijd wil vertrekken, dit laatste stuk is “the Friendship Highway”, een weg die alle toeristen nemen op hun doortocht naar Nepal. Een paar uur later weten we waarom. In het laatste stadje voor Zhangmu, staan we plots voor een afsluiting. 4 jonge gastjes verdringen zich rond de jeep. We mogen niet verder. Geen politie, geen pascontrole. Just stop. Uitstappen zegt de chauffeur, en wachten tot 6 uur vanavond.  Waarom, daar hebben we het raden naar. En we zijn niet alleen: aan de kant vormt zich weldra een lange rij toeristenjeeps die niet door mogen. Vrachtwagens en locals mogen wel door. Niemand kan ons informatie geven, en wie het wel kan, spreekt geen Engels of Chinees. Dus dan maar eten: we vinden een Sichuanrestaurant, ik ben dol op pikant en binnenkort zal het daarmee wel gedaan zijn. Nauwelijks zijn we klaar, of daar is onze chauffeur terug, gehaast, helemaal niet z’n stijl. Leave now. We lopen naar de jeep, hij doet me teken dat ik plaats moet maken naast me op de achterbank. Er springt 1 van die jonge gasten in, en nu mogen wij – als enige jeep – door de afsluiting. Waarschijnlijk is de deal dat we die gast gratis moeten laten meerijden. Ik voel een diepe minachting, maar intussen kunnen we toch maar verder.

wegenwerken op de Friendship Highway

En nu begint het. Dit is erger dan de Gobi – maar om andere redenen. We rijden langs een diep dal, op een weggetje tegen de berg aangekleefd . De Chinezen zijn die weg aan het heraanleggen. Gigantische machines graven stukken grond weg, verplaatsen stenen, of gieten beton. We balanceren geregeld op 5 centimeter van een afgrond. Ik kijk niet opzij, maar concentreer me op de wegenwerkers. Het lijkt wel of de middeleeuwen terug zijn. Vrouwen werpen losgeboorde stukken steen in een mand die ze op hun rug dragen, mannen hangen meters hoog zonder enige bescherming tegen de rotswand, jongens rijden met grote kruiwagens langs de afgrond. En onze jeep daartussen. De tenten waar de werkers in slapen, staan hier en daar op een breder stukje weg. Er hangt wasgoed aan te flapperen. Ik bedenk dat ze daarom ook veel vrouwen tussen de werkers hebben, die kunnen meteen ook koken.

Het is 19 uur en bijna donker als we in Zhangmu aankomen. Ik vraag me af wat er zou gebeurd zijn als we tot 18 uur hadden moeten wachten met vertrekken.

 de porter die tine de Kailash oversleepte

Nooit gedacht: ik heb het gehaald. Zowat letterlijk omhoog  geduwd door Johan en over de col getrokken door onze porter, ik geef het toe – maar toch. En geen zuurstoffles nodig gehad! Wel veel gehijgd en gekreund, maar ik heb het gehaald. M’n knie heeft het ook gehouden. Wellicht is dat de eerste beloning van de goden. Want op kwijtschelding van zonden zal ik maar niet rekenen. Daarvoor zijn meerdere Kailash Kora’s nodig. Alleen m’n neus is een wrak, rood ontstoken van het bevroren snot dat er 3 dagen aangehangen heeft. Maar daar heb ik een uitstekend zalfje voor.

Het is een geweldig gevoel om weer op ons uitgangspunt aan te komen, het stinkdorpje Darchen. 3 dagen geleden hebben we het achtergelaten in volle rust, en vandaag staan er 5 vrachtwagens met een arrogant wapperend Chinees vlaggetje, 2 bulldozers, 2 betonmolens, en 3 van die typische tenten waar wegenwerkers in slapen. Het geluid van drilboren komt ons toegewaaid. Ze hebben funderingen voor 5 huizen gelegd. Over een paar jaar is dit gat een toeristisch centrum met sterrenhotels en een autostrade en leveren ze de toeristen af halverwege de col, om ze vervolgens meteen weer naar beneden te rijden. We hebben misschien wel de laatste stukjes authentiek Tibet gezien.

wegenwerkers aan de Kailash-snelweg

We willen hier weg, naar onze volgende bestemming: het heilige Manasarovarmeer, 4700 hoog, tegenover de Kailashberg. Maar dat is buiten onze chauffeur gerekend. Als we hem eindelijk vinden, zit hij driftig te spelen – een soort combinatie van domino en poker – en hij is aan het winnen, er ligt een dik pak geld naast hem. Via z’n speler-collega die wat Engels blijkt te kennen, proberen we op hem in te praten, maar niets gebaat. Spelen gaat voor. We kunnen niet anders dan nog 1 nacht in dit gat slapen.

Manasoravameer het moment voor zonsopgang

Het Manasarovarmeer strekt zich blauw uit, en wij staan aan de rand. Wij zijn de enige toeristen. Zelfs geen Hollanders. Dit is eeuwigheid, aan het einde van de wereld.  In ons guesthouse zit de hospita vrolijk te gsm-en. Als de avond valt, hangt ze een batterij aan de spaarlamp en we hebben licht. Van een toilet, laat staan een badkamer, nog steeds geen spoor. Ach wat, we zullen stinken tot in Nepal.

 het begin van de kora

Het is zover. We staan klaar, gewapend met zuurstofflessen, mondvoorraad en veel water. Visioenen van afgevroren tenen, gesprongen aders in m’n hoofd en langzame vriesdood hebben me vannacht in m’n dromen bestookt. Johan blijft onmenselijk rustig onder m’n paniek. Om 9 uur is de afspraak met onze porter – gisteren hebben we kennis gemaakt en alles besproken.

Om tien over negen geen porter te zien. Het is niet waar. Nu moeten we alles nog zelf dragen ook. Een Tibetaanse vrouw verschijnt en duwt een man in onze richting. Helemaal niet de jonge kerel met wie we onze afspraak hebben gemaakt. Is dat? Ja, dat is de porter. Hij gooit onze rugzak over z’n schouder. Hij weet de weg.

Mount Kailash

Er zijn niet veel toeristen die nu nog uitrukken om de kora te lopen. Het seizoen loopt af eind september. De vrouw van het reisbureau heeft ons gewaarschuwd: het is mogelijk dat er teveel sneeuw ligt op de pas. (5640 meter). In dat geval is de afspraak dat we geen ronde tocht maken, maar dan komen we op dag 2 gewoon terug. Toen we vroegen of ze niet even kon bellen om te informeren, was haar laconieke antwoord: you have to ask the the people that come back from the kora. Dat doen we dus. Van de Britse Helen hadden we al gehoord dat ze 3 zuurstofflessen nodig had gehad om dag 2 door te komen. Die kosten 1,5 euro per stuk, ze zitten nu in onze rugzak. Wegen niets. Misschien zit er niets in.

zuurstoffles

Helen had ook een man gezien van wie de tenen bevroren waren. “I think he must have lost them by now”.

Tussen Paryang en Darchen komt een Toyota Landcruiser uit de andere richting. We stoppen. Phil en Debby komen net terug van de kora. “Do you know any of your friends doing a crazy thing like this?” Het is nog maar het begin van een stortvloed. Ze is op dag 2 moeten terugkomen, niet bovengeraakt. I was so sick! And so cold! Hope your sleeping bags are warm enough. At night her ass was freezing off. 

Hebben ze dan geen extra dekens in de kloosters, vraag ik. Forget it! And I was sleeping in special silken underwear, look. Ze toont me 1, 2, 3 lagen van dik zijden goed dat ze onder haar gewone kleren draagt. Tot en met een lange rode onderbroek.  And  I hope you have special sunglasses, there’s so much snow, it’s dangerous.  Als ik me beleefd uit de voeten wil maken, stopt ze me een plastic zak met koekjes in de hand. Here, there’s no food up there, you will need these.

Vlak voor Darchen worden we voorbijgereden door een andere landcruiser. Tien minuten later staat hij aan de kant met lekke band. Onze chauffeur stopt - Toyota’s helpen Toyota’s. De inzittenden: een jong Chinees koppel. “I have decided not to walk the kora”, vertrouwt hij ons toe. “Have you got enough medicine with you?  Especially for the height, your head, you can die if you don’t go to hospital”. Gelukkig is  de band snel vervangen. Morgen lopen wij de kora.

vrouw met koeien

De chauffeur van onze Toyota Landcruiser is zwijgzaam, en we ontdekken al snel waarom. Hij spreekt geen woord Engels.  Ook geen Chinees. Daar zit Johan dan met z’n taallessen. De man is Tibetaan. Het enige wat hij voor ons verstaanbaar uitbrengt, is de naam van de dorpen waar we naartoegaan. Omdat die op ons papiertje staan. Gyantse, Shigatse, Lhatse, Saga, Paryang, Darchen, da’s de route. Timing: 5 dagen heen, 5 dagen terug, 3 dagen kora rond de Kailash. We rijden naar het westen, over wegen die ze letterlijk aan het aanleggen zijn terwijl we erover rijden. Over een jaar bereik je dit “quasi onbereikbare stukje Tibet” via autosnelwegen.

Er is iets met de temperatuur hier. De zon schijnt hardnekkig, pijnlijk hard de hele dag. En toch is het koud. 1 moment in de schaduw en ik bibber. Het heeft iets onwezenlijks, het harde licht. En iets wreeds. Vanaf Lhatse heb ik ’s morgens alle kleren aan die ik bij heb: zijden hemdje, t-shirt,  pulletje, fleece, windstop, gore-tex en wintermuts. Ik blijf het koud hebben. Ook met de logies gaat het gestadig achteruit. In Saga is het ’s morgens 3 graden in onze “kamer”, in Paryang zijn de ramen aangevroren. Het “toilet” is geevolueerd van een hok op de binnenplaats, naar een zogenaamd openbaar toilet 500 meter buiten de dormitory –  in het midden van de open vlakte. Als je er binnenkomt val je zowat flauw van de stank, de stronten liggen overal waar je kijkt en in alle kleuren. 1 keer komt een hond aan me ruiken terwijl ik neerhurk.

Ik begin me af te vragen of die Kailash-trip wel zo’n goed idee is.

Het is gebeurd: we hebben  een “permit” aangevraagd. Alles wat we op eigen houtje konden gaan bezoeken hier in de buurt van Lhasa, hebben we bezocht. Maar we willen naar het Westen, en daar is geen openbaar vervoer naartoe. En dus zijn we aangewezen op een jeep, dus op een reisbureau, en die laten ons betalen voor permits. Teveel uiteraard, maar alle reisbureau’s vertellen hetzelfde verhaal. En anders raken we er niet. In Azie is dit 1 van de meest onbereikbare reisbestemmingen – als dat geen uitdaging is. 

We willen een bedevaart ondernemen, een kora van 53 km, rond de allerheiligste berg in dit gebied: Mountain Kailash. In oude hindu-teksten noemen ze hem “de Navel van de Wereld” of “Home of the Gods”  Deze berg houdt de sleutel voor het drainagesysteem van het Tibettaans platteau.  De 4 grootste rivieren uit het Indische subcontinent zouden hier ontspringen: Indus, ganges, Sutlej, Brahmaputra. Tibettanen ondernemen de heilige tocht errond in 1 dag. Wij Westerlingen gaan er 3 dagen over doen, en onderweg overnachten in tempels. In klokwijzerszin uiteraard. Ons hoogste punt: 5640 meter. Als de sneeuw niet te dik ligt, anders komen we terug.  

Morgenvroeg vertrekken we met jeep en chauffeur, het niemandsland in. Dit is ons grootste avontuur totnutoe. Over 14 dagen hopen we opnieuw de bewoonde wereld te bereiken: de Nepalese grens. We zullen allen die dit lezen warm aanbevelen bij de goden. 

rode montuur-monnik

Je hebt er met gele hoeden, met rode hoeden, en met streepjeshoeden. Maar allemaal zijn ze gehuld in gedrapeerde rode stof en hebben ze blote armen. Meestal dragen ze sportschoenen, hebben ze hun gsm bij, en dragen ze een plastic zakje met eten. Ze lachen veel, en ze blijven ons fascineren. 

Bedelmonniken zitten te neurien op de grond, en wijzen enthoesiast naar een stuk karton waar geld op ligt. Of ze komen naar ons toe met hun handen vol geldbriefjes, en duwen die onder onze neus, als uitnodiging om er nog wat bij te steken. ‘t Is in elk geval iets vriendelijker dan de kinderen hier die op ons afstormen “Hello money!”

Op het dakterras waar we lezen en boterthee drinken, komen er 2 monniken tegenover ons zitten. Ze wijzen naar Johan z’n nek, dat die pijn moet doen van in z’n boek te kijken. Dan wijzen ze op m’n zonneclip. Ik zet ze op m’n bril en toon hoe het werkt. De linkse monnik wil hem absoluut opzetten, daarna ook m’n leesbril. Johan zegt dat we uit Belgie komen en legt onze reisroute uit. Zij komen uit Sechuan. Dan ontdekt de rechtse monnik het Engels-Chinese woordenboekje. Hij vindt het woord “collaborate”. Wij wijzen op het woordje “married”, want samenleven uitleggen, daar beginnen we hier niet aan. Ze gniffelen. Dan toont hij het zinnetje  “My house is behind the school”. Wat bedoelt hij daarmee? We proberen met “teacher”, en ze knikken allebei. Dan begint hij weer te bladeren.

Ze willen ons absoluut trakteren, maar beseffen niet dat wij 10 keer meer betalen voor een kop thee dan zij. Als het duidelijk wordt, nemen ze onze 10 yuan (1 euro) graag terug.

Het Sela-klooster, 8 km buiten Lhasa, is beroemd voor z’n debatten, van 3 tot 5 in de namiddag. We nemen de bus en gaan kijken. Rond 3 uur horen we een groot kabaal, als van een straatmeeting, met nu een dan een knalgeluid – voetzoekertjes? We lopen in de richting van het geluid, en dit is wat we zien:

Twee uur lang  gaan ze zo door. Het lijkt een spel, en ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ze er een schepje bovenop doen, omdat ze weten dat ze gefotografeerd en gefilmd worden.

 rode stupa

Niemand heeft ons hier al naar onze “permit” gevraagd. Hoewel de honderden kleine reisbureautjes ons hier om de oren slaan met dure arrangementen, allemaal per jeep, met extra kosten voor “de permit”. Johan heeft uitgezocht dat er elke dag een bus vertrekt naar Samye, het alleroudste boeddhistenklooster in Tibet. 1200 jaar. Gewapend met onze Lonely Planetgids, gaan we er naartoe, zonder reisbureau – en zonder permit.

Om 6 uur ’s morgens stappen we op. De bus zit vol bedevaarders - een paar monniken, wat jonge gasten,  een familie met als centrum een hele oude oma die eruitziet alsof dit haar laatste reis zal zijn. Wij zijn de enige Westerlingen. De bus is redelijk comfortabel. Ha! Had je daarvoor z’n dure jeep nodig?   Een half uur later heb ik al 2 gigantische blauwe plekken op m’n been, want de weg is een hel. Erger dan de dust tracks in de Gobi. Bij momenten gaan we allemaal een halve meter de lucht in, om dan met een smak weer op onze zitplaats terecht te komen. De oo’s en de aa’s  zijn niet van de lucht. Opeens stopt de bus, en de chauffeur en de conducteur stappen uit: de weg is weggespoeld, en gaat een meter dieper verder. Dit is het einde dus.  Maar na enig overleg, stapt de chauffeur weer op, en we rijden voort! De bus hangt met haar achterstuk een hele tijd in de lucht, wij vliegen omhoog als in een ontsporende rollercoaster, en dan rijden we voort.  Intussen begint de zon op te komen, het landschap is hallucinant mooi, we rijden vlak naast de rivier, met lage zandduinen, rotsen en sneeuwbergen in de verte.

Dan opnieuw:  stop. Plaspauze, blijkbaar een openbaar toilet. Als ik van de bus stap, weet ik niet wat ik zie.  De mannen doen hun broek open en plassen waar ze staan, de vrouwen hurken neer en laten het lopen. Een seconde aarzel ik, en dan  doe ik mee.  Als iedereen terug de bus in stapt, liggen er twintig plassen in het zand.

Het Samye-klooster is onlangs gerestaureerd, het is omringd door 4 grote stupa’s – een soort losstaande koepelkapellen –  elk in een eigen kleur, met een eigen symboliek. De beelden in de tempel zelf zijn manshoog. We steken als echte bedevaarders een briefje van 1 yuan tussen de vingers van een norskijkende boeddha. Misschien helpt het. Buiten staat het groepje monniken elkaar om beurten te fotograferen met hun gsm. Johan maakt er stiekem een foto van. Dan komen ze naar ons toe, en beginnen ook van ons uitgebreid foto’s te maken. Waarschijnlijk zijn wij even exotisch voor hen. Intussen komen de 4×4’s aan met de dure toeristen. Haha, wij doen het op ons eentje tegen 1 twintigste van de prijs.

Om 14u30 vertrekt onze bus terug naar Lhasa. Het hele gezelschap, inclusief oma en monniken, stapt in. Maar dan nemen we een andere weg. Lhasa? Jaja, knikt iedereen, Lhasa! Blijkt dat we eerst nog een klooster gaan bezoeken.  Iedereen energiek de bus af, een half uur later zijn we weer weg. Nu eindelijk naar Lhasa? Nee hoor, even later doemt weer een klooster op, deze keer bovenop een berg. Iedereen, oma inclusief, stapt enthoesiast uit en begint aan de steile klim. We worden zacht aangemaand om hetzelfde te doen, de deuren gaan dicht. We zitten op een echte bedevaardersbus! Gebedsvlaggetjes? 10 yuan, zegt een meisje. Boven aangekomen is het nog maar 1 yuan. Mijn adem is helemaal op. We passeren oma en haar familie die vol energie de tempel uit komen. De bus wacht, we slepen ons weer de berg af, instappen en weg. Ik heb er me intussen bij neergelegd dat we nooit meer in Lhasa zullen aankomen. Deze bus zal worden teruggevonden met de skeletten der bedevaarders, getooid met gebedsvlaggetjes. Mooie uitsmijter voor het lokale nieuws.  

Om 20u10 dropt de chauffeur ons allemaal in Lhasa, zij het 1 km van de officiele halte. Waarschijnlijk is dit z’n standplaats voor de nacht en heeft hij geen zin meer. Oma en de monniken wuiven ons tevreden na. Zij hebben alle heiligen gezien waarvoor ze ingeschreven hadden.

monniken in Jokhang tempel

Als we bij de Jokhang tempel in Lhasa aankomen, de heiligste van Tibet, staan daar al duizenden pelgrims aan te schuiven.  Stokoude mannen ondersteund door hun familie, jonge meisjes op hoge hakken, vrouwen met stevig ingewikkelde baby’s van nauwelijks een paar maanden. Ze hebben grote thermoskannen bij, en plastic zakjes met een lepel erin. Hun proviand voor de dag.

Enigszins gegeneerd steken wij hen allemaal voorbij, want wij moeten naar de kassa om een ticket te kopen. En van ons wordt niet verondersteld dat we de kora gaan doen, dat is de tocht langs alle heilige kapellen in het allerheiligste van het gebouw.  Altijd met de klok mee, hebben we intussen geleerd. Politieagenten duwen ons in de file, en roepen iets dat waarschijnlijk “doorschuiven, niet treuzelen” betekent. De prevelende menigte moet door een lange smalle gang, een gedrum van jewelste. Want langs de linkerkant moet er een rij naar binnen, en langs de rechterkant komt er een rij naar buiten.

Het duwen wordt erger, het bidden intensiever, de lucht benauwder. We komen in het allerheiligste, een ronde ruimte met kapellen errond. In de tijd van de Culturele Revolutie hadden Mao’s Rode Gardes hier een varkensstal ingericht. Nu zien we hier opvallend veel politie die de massa controleert. Als ik even de parallel maak met onze katholieke bedevaartsoorden, besef ik hoe vernederend dat moet zijn: flikken die een vroom gebed onderbreken. En deze bedevaarders komen van 1000den kilometers ver.

De buitenlandse toeristen staan in het midden van de ruimte naar hun gids te luisteren, maar Johan stelt voor dat we meegaan in de stroom gelovigen en de kapellen bezoeken. Het deurtje van zo’n kapel is 1,5 m hoog en 1,2 meter breed, het is wringen om erin te raken. Je vraagt je af hoe die baby’tjes het overleven. Binnenin een doordringende walm, als wierook, maar dierlijker. En dan zien we waar die lepels en thermoskannen voor dienen. De bedevaarders gieten gesmolten boter bij de brandende wieken, en ze lepelen er yakboter bij uit hun plastc zakjes. Hoogst eigenaardige  bezigheid. Voorts duwen ze briefjes van 1 yuan (0,1 euro) in de glazen kasten waar de heiligenbeelden in staan, ze raken met hun voorhoofd het glas aan, en ze wrijven met een zijden doekje overal tegen waar ze aankunnen.  Zo gaat het uren door, de ene kapel in, de andere uit. Tot aan het immense gouden beeld  van de boeddha, met aan de zijkant een klein laddertje. Daar klauteren de bedevaarders op -jong en oud – om hun hoofd even tegen z’n gouden dijbeen te leggen. Er staat een monnik bij, die de gelovigen letterlijk in de kraag vat en ze het laddertje aftrekt, om te vermijden dat de trance te lang duurt. Als wij langskomen, kijkt hij uitnodigend of we ook willen, maar we passen. Uit respect, want met dat been hebben wij niks.