You are currently browsing the category archive for the 'Nepal' category.

olfanten  met hun drivers

Ik wou zo graag op een olifant door de jungle rijden, en dat gaan we vandaag doen. Werkolifanten, zo heten ze, en ze worden hier speciaal gekweekt en getraind. Tijdens de rit zal ik merken hoe. Het elephant breeding cente is een gigantisch succes: 26 baby olifanten geboren op 30 jaar tijd. Als je weet dat een olifant 2 jaar zwanger is, en 2 jaar zoogt, is dat inderdaad heel wat. De mannetjesolifant die voor bevruchting moet zorgen, is intussen al lang niet meer aan het werk. De vrouwtjes – aan de ketting -worden geregeld ’s nachts besprongen door wilde olifanten die een feestje komen houden. Het is zo erg dat ze nu elektriciteit op de afsluiting hebben gezet. Maar de elektriciteit valt hier zowat elke avond een paar uren uit. En ivoor is ongevoelig, dus die wilde olifanten hebben geleerd om de draad met hun tanden naar beneden te houden, en er dan over te stappen. Ja, dan zijn die mannen inventief….

We moeten met 4 in een houten bak van een goeie vierkante meter. De driver zit in de nek – elke olifant heeft z’n persoonlijke driver. Hij heeft een prikstok. De olifant heeft achter achter z’n linker oor een open wonde. Als hij niet gehoorzaamt, zet de driver z’n voet erin, en wrijft met z’n teen.

jungle bij zonsondergang

Tiger Lodge in Sauraha voelt een beetje fake aan – een reeksje bungalows die ons het gevoel moeten geven dat we kamperen. Maar het ligt prachtig aangevleid tegen de jungle, alleen de rivier scheidt ons. Daar zitten ze dus, de tijgers, rino’s, beren en krokodillen. Hier in Chitwan National Parc is het de enige plaats in Nepal waar toeristen onder stricte begeleiding te voet de jungle in mogen. De manager van de Lodge geeft ons wat advies voor onze tocht: geen felle kleuren dragen, camouflage groen en bruin graag, zeer stil zijn, en zeer goed de gids volgen. Want het wordt most dangerous and exiting. We gaan 5 km de jungle in. Onze gids, Krishna, komt ook al even kennismaken. Hij prent ons de veiligheidsvoorschriften in: hij loopt voorop, en achter ons loopt een tweede man, allebei zijn ze gewapend met een stok. Als we een beer zien, en we kunnen niet op tijd in een boom klimmen, dan zullen ze proberen de beer met hun stok bewusteloos te slaan, en dan: lopen. Komt er een rino op ons afgestormd, dan moeten we als de bliksem achter een dikke boom springen, en de rino laten voorbijrazen. De gids zal dan een gekleurde sjaal op de grond gooien, en dan maar hopen dat de rino die aanvalt in plaats van ons. Een wilde olifant is simpeler, gewoon onmiddellijk omkeren en terugwandelen, zeker niet lopen. Hij vertelt ons ook over een krokodil aan de oever – daar – die 5 honden had verslonden en zelfs een buffel had aangevallen. Ik voel me met de minuut onrustiger worden. Dat wordt extreem spannend morgen. But the crocodile has moved upstream now, zegt Krishna. Om zes uur verwacht hij ons, het ontbijt zal klaarstaan, en dan vertrekken we per kano naar de andere oever.

Half zes zitten we klaar. Iedereen in Lodge slaapt nog, we moeten de keuken wakker maken. Maar we zien wel de eerste toeristengroep aankomen, in een kano stappen en afvaren. Onze gids is niet gehaast, wait little bit, take your time. Om half zeven nog steeds geen spoor van ontbijt. Er ontstaat nu een file aan de boten. Zeven uur, en nog steeds kunnen we niet vertrekken. Intussen is de jungle al overbevolkt met Hollanders die elkaar enthoesiast toeschreeuwen hoe leuk het hier wel is. Eindelijk, om half acht maakt onze gids aanstalten om te vertrekken. We zitten met 3 duo’s in de boot – en ze hebben alle 3 hun eigen gids. Die geven alle drie uitleg, zodat er geen touw aan vast te knopen is. Na 10 minuten is de Canadees achter ons het beu, en hij begint te vertellen waar hij overal al niet geweest is, en een licht-hysterisch Russisch meisje voor ons is druk bezig om aan de gids haar leven te vertellen. Dan gaan we aan land, op zoek naar de tijger – HA. Na een kwartier merk ik dat we helemaal de jungle niet inlopen, maar een soort zigzagbeweging maken langs de oever. We zien veel vogels en herten. En een aap. Normally many here, zegt Krishna onze gids, but today not. Hij toont ons ook een pootafdruk van een rino. Look here, normally rino comes drinking, but today not. We zien wel veel andere toeristen. Always many many. Krihna heeft blijkbaar een prostaatprobleem, om het kwartier moet hij plassen. I go looking waterfall, but no animal there. Na 2 en een half uur zigzaggen vraagt hij of de jungle walk lang genoeg heeft geduurd, want hij wil geen klachten achteraf. Wij hebben intussen genoeg gezien.

’s Avonds in onze kamer krijg ik een kleine hartstilstand van schrille kreten die uit de badkamer komen. Het zijn 3 kleine lizards die haastig wegkruipen tegen het plafond als Johan het licht aandoet. Ik doe geen oog meer dicht.

Gisteren heeft het geregend vanaf 5 uur. We weten het zo precies, omdat hier elke avond op hetzefde uur de elektriciteit uitval. Na een paar uur gaat het licht weer aan. Warm water daarentegen heeft ons hotel 24 uur op 24. Geleverd door de zonnepanelen op het dak. Wij zijn hier aan het splashen. Mooi hotel, lekker eten, en: vandaag gaan we paragliden, 600 meter naar beneden, naar het meer. Duosprong, dus wij moeten alleen maar hangen.

Onze piloten blijken Frans te zijn, uit Grenoble. Leuke kerels. Helm op – die van Johan blijkt nadien veel te klein geweest te zijn – , extra parachute voor het noodgeval, en dan worden we ingegespt. Eigenlijk had ik graag een filmpje gemaakt, maar gezien het spannende van de situatie, toch maar niet. Stel je voor dat je gsm valt. Of jijzelf. We krijgen uitleg hoe we moeten starten. Gewoon naar de afgrond toe stappen, dan lopen en blijven lopen. Zoals die mannetjes in stripverhalen die nog niet beseffen dat ze aan het vallen zijn. Ik krijg plots een niet te controleren bibber in m’n benen. Daar had ik niet mee gerekend. Ik dacht zoals een luchtballon omhoog te gaan. Niet dus. Compris, vraagt de piloot. Compris. Het wachten is het ergst. We zijn met een groep van 6, er zijn nog 4 wachtenden voor me. Wachtend op “un bon vent”. Een voor een zie ik ze naar de afgrond lopen, een gewisse dood tegemoet. Dan is het mijn beurt. Marcher! 1, 2, 3 stappen en ik ben aan de rand. Courir, pas sauter! En dan gebeurt het wonder; ik hang en glijd de afgrond in, dan hop omhoog, de wolken tegemoet. Ver achter mij zie ik Johan vertrekken.
Dit is GEWELDIG. Beter dan de kermis. We gaan in kringen omhoog, met de turbulentie mee, en komen dan weer zachtjes naar beneden. tegenover ons komt even de besneeuwde piek van een berg kijken, 600 meter onder ons blinkt het meer. Dan zie ik de arenden. 10 of meer, met reusachtige vleugels, vliegen met ons mee. Ze volgen de luchtstroom waar wij op drijven, achtervolgen ons, of blijven vlak onder ons hangen. Het is alsof ze zeggen: “Come fly with us!” Zo moet het zijn als je met dolfijnen zwemt.

koe in verkeer

De bus terug naar de “Lakeside” is overvol. Letterlijk. We laten ons er bijduwen. Johan hangt met 1 been en 1 arm buiten, samen met een jongetje en de conducteur. Onderweg zien we voor de 2de keer een koe die zich heeft geinstalleerd in het midden van de weg. Waarschijnlijk woont ze daar.

Benieuwd hoe de elephant ride zal aflopen op onze volgende bestemming : het natuurpark Chitwan. Er zitten tijgers.

We klimmen onder een aangename temperatuur, 25 gaden, de heuvel op. 550 meter. Steil. Gelukkig geen andere toeristen voor ons. Namaste! Where you from? De Nepali zijn vriendelijke mensen. Halverwege de tocht raakt johan in gesprek met een jongetje. Hij geeft ons plechtig een hand. Welcome to Nepal. My name is Surut. Hij loopt een eindje met ons mee. 2 minuten later is z’n vriendje daar ook. My friend Turin. Ze spreken allebei erg goed Engels. Het zijn rustige jongens, niet de agressieve bedelaartjes die we hier geregeld achter ons aan hebben lopen (“give rupee!”), een hele verademing. 12 jaar. Surut wil dokter worden. Om veel geld te verdienen? probeer ik. No, to help the sick people. Ik ben waarlijk aangedaan. Er is nog idealisme in de wereld. Hij wijst ons een kortere weg, geeft me een hand als ik een hoge steen op moet, en vraagt me uit. Wat ik doe, en my husband. Zij moeten vandaag niet naar school, holiday for Vishnu. De school waar we langskomen is nochtans vol met kinderen. Waarschijnlijk intern. Your husband is tall, long legs. En even later staat hij daar met een bloem voor mij. Intussen loopt Turin voorop met Johan. We hebben echt een aangename dag met de 2 jongens, delen onze picnic met hen, en moeten perse met elk van hen op de foto. Nice picture.
onverwachte gids
Als we bij het afdalen opnieuw langs hun huis komen, maak ik me klaar voor een ontroerend afscheid, en ik besluit hun adres te vragen. Ze stoppen. My house. En dan komt het. Give me money. Ik ben zo verbouwereerd dat ik het eerste briefje pak dat me in handen komt. 50 rupees, 25 fr. Ik zie aan z’n gezicht dat het veel te weinig is. Hij draait zich om en loopt weg. Heel deze opbouw, het doktersverhaal, de mini-gigolo gedrag, het is deel van de business. Waarschijnlijk specialiseren ze zich in iets oudere dames al dan niet met echtgenoot. Op de terugweg komen we hele groepen kinderen tegen. School is out.

rijstvelden rond Pokhara

Wij zijn de enige toeristen die geen hotel hebben als we aankomen in het trekkersstadje Pokhara. Ik ben wat ongerust, want in The lonely Planet staat, dat het in het hoogseizoen wel ‘ns vol kan zijn. En dit is hoogseizoen. Terwijl Johan onze pakken van het dak van de bus haalt, komt er een man naar me toe. Taxi, hotel? Ik zeg: first luggage. Okee, hij wacht. En dan ben ik plots omringd door 10 Nepalese mannen, zwaaiend met sleutels en hotelfolders. Good hotel! 24 hours shower! views! Het is een kakafonie van jewelste. Ik roep: “Will you be quiet please! One after the other!” Het is een noodkreet, maar tot m’n verbazing zwijgen ze abrupt. De mannen in Nepal zijn nogal klein, ik kan half op hen neerkijken – geen onaanaangenaam gevoel – en plots bekruipen me onvermoede half-koloniale gevoelens. “You first!” Hij begint, onderdanig: “nice hotel near lake, ma’m, only 6 dollars, good shower, ma’m”.  “Okay, now you!” “Better hotel, Ma’m, beautiful rooms”.  Een derde argumenteert: “Ma’m, I am your son, I help you the best” – hetgeen me maar matig bevalt, wan hij ziet er al oud uit. Intussen komt de man die me eerst had aangesproken terug, en roept “I have speaking time too!!” En dan beginnen ze weer allemaal door elkaar dat horen en zien me vergaat. Johan komt met de bagage en lacht zich een ongeluk. Ik roep: “Quiet please! Let me talk to my husband!’

Weer zijgen ze abrupt, gespannen wachtend op de uitslag. Ik zeg: “We choose the man who was here first.” Triomfantelijk grijpt die onze koffers, onder luid gejoel van de anderen.

De kamer is prachtig, maar te duur. We pingelen ze 3 dollar naar beneden en eindigen op 8. Everybody happy.

 Thamel is verkeersvrij, je mag er alleen rijden mits uitzonderlijke toestemming, en het is er verboden te toeteren. Dat ziet er zo uit:

Ik verbaas me over het aanpassingsvermogen van een mens. We komen uit quasi volledige stilte, waar je last krijgt van het geruis in je oren, en nu zitten we opnieuw zowat aan het andere uiterste. Ons Guesthouse blijkt tegenover een soort erotische bar te liggen met “Shower Girls”. Vanaf 10 uur ’s avonds horen we pompende muziek met fameuze decibels. Maar we hebben nog nooit zo goed geslapen.

Iets moeilijker is het om nee te zeggen aan de bedelaars. Er zijn verschillende stijlen. De gehandicapte, met z’n vervormde ledemaat strategisch uitgestrekt op de stoep, zodat je er over kan struikelen, of in elk geval verplicht bent om de verminking goed in je op te nemen. De man die naar je toe komt en zegt dat hij euro’s verzamelt voor z’n collectie, de man die je spontaan toeristische informatie komt geven, en daar vervolgens geld voor vraagt. Twee heilige mannen die vriendelijk lachend naar je wuiven, vervolgens bloemen over je hoofd strooien en met kleurstof een rood punt op je voorhoofd zetten “long life”, en je dan blijven achtervolgen tot je hen allebei geld geeft. Of een moeder met een baby komt naar je toe met in haar hand een lege papfles, daarmee wijst ze naar een winkel. Je voelt je een beest als je niks geeft.

tine overvallen door heilige mannen

Als toerist betaal je uiteraard dubbel zoveel als de mensen van hier. Monumenten bekijken is erg duur; vanmiddag kostte het ons 2 keer 10 dollar om een marktplein met tempels op te mogen. Vergelijk dat met de prijs van onze hotelkamer (met badkamertje en zittend toilet!): 10 dollar. De man die ons de tickets verkocht vroeg welke reis we maakten. Je zag hem slikken en tellen. Toen zei hij: dat zouden wij nooit kunnen. Ik verdien 100 dollar per maand. En plots, zonder aansporing van onze kant: dit land is rot. De koninklijke familie laat alles kapot gaan. Ze denken alleen aan zichzelf. Het gaat hier slecht. Er kwam een politieagent bij staan, we dachten hij zal nu wel een andere toon aanslaan, maar de agent begon zelf ook.  Ze hebben verkiezingen beloofd, en die komen niet. Maar al die politieke partijen die denken ook alleen aan zichzelf. Aan macht. En niemand denkt aan ons, the people. Ik hoop dat mijn kinderen het beter zullen hebben.

Ontsnappen, dat is een mogelijkheid. Overal zien we hier grote affiches: study in USA, Suisse, Canada, France.

Om onze sombere gedachten te verdrijven, besloot Johan over te gaan tot een haircut bij de plaatselijke barber. En daar bleef het niet bij.

 

Morgen verlaten we Kathmandu. Het is goed geweest.

straatverkoper in Kathmandu 

Die geur. Patchouli, en kruidige walmen die zo uit de seventies komen. We logeren in een guesthouse in Thamel, hartje toeristische centrum. Een web van straten, met honderden shops, van waaruit evenzoveel verkopers onze aandacht vragen. Namaste –  Goeiedag! Eerst dacht ik nog, wat een vriendelijke mensen allemaal. Vergeten dat ik een wandelende prooi ben, een levensgroot dollarteken, or you can pay in euro’s.  Dit is het trekkersparadijs. Ze hebben hier alles: van slaapzakken tot -30 graden, over rugzakken, tot haken en klimtouwen. Alle vertrouwde merken. En allemaal namaak,  een fractie van de originele prijs. Come look my shop madam, very good price, you happy me happy. Ik word gek. We kunnen dat allemaal niet meeslepen! Ik hou me geweldig in, koop een fleece, een windstop, een trekkersbroek, en een t-shirt. De andere winkeltjes ga ik met uiterste zelfdiscipline voorbij – klerenboetieks, papiershops (handgeschept!), theeshops, kruiden, gadgets. Voor de stoffenmarkt bezwijk ik voor een paar meters zijde (1,5 euro per meter!). Johan zal het wel dragen.

shops in Thamel, Kathmandu

Het is hier nog altijd de seventies. Alle rokken, stofjes en motieven uit die tijd hangen hier nog altijd, de modelletjes zijn wat aangepast, maar ik herken alles. We ontdekken een Deense boekenwinkel met een Deen erin – het bier in de de cafes draagt hier trouwens maar 1 merknaam, Tuborg.

En dan het eten. Ze hebben alles – in hetzelfde restaurant kan je pizza eten, of Chinees, Nepalees, Indisch, of Frans, zeg het maar. De vegetariers beleven hier gouden tijden. En ja, ik beken: zopas zijn we in het “Vienna Inn Restaurant” gaan eten, steak au poivre met frieten. Met op de achtergrond Bob Dylan.

En hier ten slotte, ter ere van Pieter die muziek wilde, een sfeerbeeldje van op straat:

De grens tussen China en Nepal gaat om 10 uur ’s ochtends open. Een eindeloze kolonne vrachtwagens blokkeert de rijweg van het bergstadje Zhangmu, in een niet te beschrijven chaos. De weg loopt naar beneden, daar is de Chinese grenspost. We lopen er met onze pakken naartoe, er kan geen taxi door. Een 200-tal toeristen staat te wachten. Er hangen ook veel autochtonen rond, ik denk Tibetaanse nomaden. Zij spelen een kat-en-muis-spel met de militairen die de grens bewaken. Met een 20-tal chargeren ze, en proberen langs de grenspost te geraken. Keer op keer worden ze teruggejaagd, en dan lopen ze lachend terug. Geen idee wat er aan de hand is. Misschien zoek ik er teveel achter, en is het simpel: de toeristen krijgen voorrang. Wij vullen onze exit-papiertjes en onze gezondheidspapiertjes in. Do you have aids/hiv? vul daar maar ‘ns YES op in.  Het is een vreemd gevoel om te zien hoe ze iets invoeren op een Chinese computer, en hoe daar plots je naam verschijnt, met een heleboel gegevens.  Okee, we zijn door fase 1, nu 8 km niemandsland door.

Met 6 passagiers en 12 koffers in een minibus en toch lachen

De minibusjes staan al klaar, ze duwen onze bagage erin, en ons ook als sardienen, en daar gaan we,  nog dieper naar de rivier. Langs deze smalle bergweg staan nu de vrachtwagens die van Nepal komen in een gigantische file. Na een paar kilometer zitten we vast, we kunnen niet meer voor of achteruit. Voor ons beginnen Chinezen hun handelswaar op hun rug over te laden. Wij beseffen wat ons te doen staat: uitstappen en te voet verder. Het lijkt een volksverhuizing, we slepen onze bagage over de modderweg langs vrouwen met 2 grote gasflessen op hun rug, een man met een kast, jongens met kubieke meters stoffen.  Dan zijn we aan de brug. Opnieuw aanschuiven,  opnieuw een Chinese grenspost.  De brug over, dan de Nepalese grenspost  – de militair daar heeft een mitraillette – en we zijn in Nepal.

Nu is het simpel: alle bussen rijden naar de hoofdstad Kathmandu. 7 uur rijden. Dit heb ik nog nooit gezien: de vloer van de bus is een halve meter verhoogd, omdat er dozen op gestapeld zijn, met drank. En daar lopen we op, we moeten oppassen dat we ons hoofd niet stoten tegen het plafond. Voorts is elk hoekje volgestrouwd met goederen, rugzakken en voedsel. Wat er niet in kan, gaat op het dak. En daar zitten ook al een stuk of 10 passagiers. Wij vinden nog net een hoekje binnen achteraan, en daar gaan we. De weg is voor de verandering opgebroken. En voortdurend springen er passagiers bij, ze verdringen zich, het is niet bij te houden. Ze rijden hier links, het duurt even voor ik het door heb. De tegenliggers rijden tot de laatste seconde recht op elkaar af, ik denk een botsing, en dan gooit onze bus zich naar de verkeerde kant en raakt de ander op een centimeter na niet. Na een paar uur stoppen we. Zijn we er? Een local die Engels kent, komt met het bericht: Everybody out. Sleep here, tomorrow Kathmandu. Why?? There is a rock on the road. Wat is dat nu weer? Wij blijven zitten. Maar als ze de dozen drank van onder onze voeten beginnen weg te halen en door de ramen naar buiten te hijsen, weten we hoe laat het is. Johan raakt aan de praat met een Nepali die wat Engels kan, hij zegt dat er minibusjes gaan komen. We eten ons eerste Nepali food, en praten wat met Australiers die net als wij gestrand zijn. Daar is de man weer. Hij heeft 2 plaatsen in een taxi voor ons, voor 1000 rupees  – 500 fr. Da’s veel te veel, en we weigeren. Ik twijfel even, nu zitten we hier wel, maar tot m’n verbazing blijft de chauffeur nog even staan. We krijgen de prijs naar beneden tot 400 rupees voor ons 2, en we wuiven de Australiers goodbye. De “taxi” is een soort  mini waar al 2 Nepali’s inzitten. Als de weg steil omhoog begint te gaan, begint het ding te pruttelen alsof het elk ogenblik uit elkaar zal vallen. Het is duidelijk niet gemaakt voor dit soort weg, of dit soort lading. Een half uur later is het zover: we staan aan de kant met lekke band.  We zien we een bus voorbijrijden, de Australiers wuiven ons vrolijk toe. Band vervangen, en verder. Nu beginnen we van alles te ruiken. We stoppen bij een garage, oververhit. Er wordt wat geprutst onder de motorkap, er gaan 3 liters waters in. We rijden nu zo mogelijk nog trager. Telkens als de chauffeur ergens water ziet, is het stoppen, en bijvullen. Dat wordt duwen straks.

Maar we naderen de hoofstad. In Bhaktapur, op 40 km, is er iets aan de hand, massa’s volk op straat, mensen in opgewonden stemming. We zien verschillende uitgebrande olievaten en grote stenen op de weg. Tientallen bussen aan de kant, ook die met de Australiers. Dit lijkt op een roadblock. En dan wordt het helemaal spannend. Tientallen jonge kereltjes verdringen zich rond ons autootje, kloppen op de carrosserie, en roepen de chauffeur van alles toe. We mogen niet door. Er wordt op ons gewezen, en heftig geargumenteerd. Het woord beli-sher valt – Belgie. De kereltjes overleggen. En dan ineens mogen we door. Onze medepassagiers lachen opgelucht: “Beli-sher’. De weg is nu plat, dus het autootje rijdt weer 60. We zien het teken van de luchthaven, en dan opeens stoppen we, iedereen betalen en uitstappen. De chauffeur wil ons hier langs de weg dumpen. Johan besluit een scene te maken. Hij stelt de chauffeur voor de keuze: nul rupees nu, of de afspraak houden en ons tot in Kathmandu zelf brengen. Er vormt zich meteen een groepje belangstellenden. De chauffeur weigert.  Ah ja? Zonder ons was hij zelfs niet door de road block geraakt! Hij zou ons verdorie moeten betalen omdat we mee wilden rijden! De chauffeur schiet in de lach – daar heeft hij niet van terug. We stappen weer in. Onmiddellijk kruipen de 2 andere passagiers ook terug in auto, blij dat ze ook verder kunnen. Ze blijken plots wat Engels te kennen, en putten zich uit in toeristische informatie. En zo bereiken we ten slotte Kathmandu. Drie uur later, als wij al gedoucht (!!!) op een terrasje zitten te eten, zien we de Australiers zwetend hun valiezen van een vrachtwagentje halen.

In een Engelstalige krant de volgende dagen lezen we over een moordpartij op 18 mensen onder wie de zoon van een minister. Niet in Kathmandu zelf , maar in een uithoek van het land. De maoisten zijn woedend omdat de beloofde verkiezingen uitgesteld zijn. De road block zou een actie geweest zijn van de buschauffeurs die betere werkvoorwaarden eisten. Er zou expliciet gevraagd zijn om toeristen niet te hinderen. Als we navraag doen, blijven de antwoorden vaag. Het fijne zullen we er nooit van weten.

http://news.bbc.co.uk/2/hi/south_asia/7033689.stm