You are currently browsing the category archive for the 'China' category.

Het broeide er al toen wij er waren. Veel politie. Vlakbij ons hotel was er een legerkazerne, daar zagen we de recruten trainen, elke ochtend, met veel geschreeuw van commando’s. In elke tempel die we hebben bezocht zat er politie, meestal een duo. Thee drinkend en spelend. In de grote Jokhang tempel regelde politie het verkeer van de pelgrims: doorlopen alstublieft. Ik heb me toen de bedenking gemaakt dat het wat vreemd was: stel je voor dat hier bij ons in elke kerk flikken zouden zitten. En wat een vernedering voor de bewoners, de monniken, die van ’s morgens tot ’s avonds bij hun religieuze activiteiten op de vingers werden gekeken. Tegenover het Potala Paleis: een vers aangelegd plein, gigantische oppervlakte, met in het midden een monument van de communistische partij, en een arrogant wapperende Chinese vlag. Een kaakslag voor het onafhankelijkheidsgevoel van de Tibetanen.

tegenover het potala paleis

En nergens, nergens een foto van de huidige Dalai Lama. Op onze tocht rond de Kailash, ver van de bewoonde wereld, kregen we de enige beeltenis te zien – onze gids haalde een klein medaillon te voorschijn dat hij om z’n nek droeg. Stopte het snel weer onder z’n kleren. De volgende dag, op de col, schreef hij een woord in de sneeuw: FREEDOM.

Hier zitten we dan: in de luchthaven van Singapore, tussenstop. Geen censuur blijkbaar op wordpress. We zijn zondagmiddag 10 februari 12 uur in Nieuw-Zeeland vertrokken, we hebben 10 uur op het vliegtuig gezeten. En het is nu 17u15, 10 februari. Om middernacht vliegen we naar Parijs, een vlucht van  14 uur. Dat wordt dus 7 uur wachten.

Allerlei gevoelens vechten om voorrang. Binnenkort iedereen terugzien, en ermee kunnen praten, in het echt en niet alleen over het net. Hoeveel muizen zal Furat gevangen hebben, hoe gaat het met hem? Het is kattentijd, hij zal toch niks onverstandigs doen? Onrust. We zullen tijdens die laatste vlucht onze bagage toch niet kwijtraken? Of erger? En welke onverwachtheden vinden we in ons huis? Gelukkig hebben we Eddy gehad om een oogje in het zeil te houden….. Maar de administratieve beslommeringen beginnen al: wij waren ervan overtuigd dat we alles geregeld hadden om deze week al opnieuw met de auto te kunnen rijden, maar njet, onze verzekeraar meldt ons dat er niks in orde is.  Dat wordt stappen en fietsen. Ik ben nu al uitgeput als ik eraan denk. Onze creditcard-afrekeningen zullen komen, we moeten dringend de financiele toestand evalueren. Volgende maandag begint Johan opnieuw te werken. Als het van hem afhing, waren we nu al op weg naar een nieuwe exotische bestemming. …

Heb ik zin om naar huis te gaan? Eigenlijk wel. Ik ben er nu van overtuigd dat een vol jaar lang reizen niks voor mij zou zijn. Het is juist genoeg, en goed geweest.  Zo’n nomadenbestaan vraagt voortdurende alertheid en een quasi ongelimiteerd aanpassingsvermogen. We zijn nooit langer dan 10 dagen op 1 plaats geweest, en soms elke dag ergens anders. Maar de echte nomaden die we hebben bezocht, blijven minstens 6 weken op 1 plaats, tot het gras voor de kudde op is.

Morgen eindelijk opnieuw in een bad kunnen zitten, de haard aansteken en een hele avond naar de televisie kijken.  Of de computer aanzetten, en hij werkt…. en kunnen surfen zonder om de 12 minuten afgesloten te worden.

Dit laatste etmaal is er teveel aan. Ik voel de jetlag nu al hangen, en m’n oren zitten dicht. Parijs halen, dan de Thalys op, en de trein naar Mechelen…. We hebben op deze reis veel treinen genomen,  we willen met de trein thuiskomen. En zien hoe het zal aflopen…..

De grens tussen China en Nepal gaat om 10 uur ’s ochtends open. Een eindeloze kolonne vrachtwagens blokkeert de rijweg van het bergstadje Zhangmu, in een niet te beschrijven chaos. De weg loopt naar beneden, daar is de Chinese grenspost. We lopen er met onze pakken naartoe, er kan geen taxi door. Een 200-tal toeristen staat te wachten. Er hangen ook veel autochtonen rond, ik denk Tibetaanse nomaden. Zij spelen een kat-en-muis-spel met de militairen die de grens bewaken. Met een 20-tal chargeren ze, en proberen langs de grenspost te geraken. Keer op keer worden ze teruggejaagd, en dan lopen ze lachend terug. Geen idee wat er aan de hand is. Misschien zoek ik er teveel achter, en is het simpel: de toeristen krijgen voorrang. Wij vullen onze exit-papiertjes en onze gezondheidspapiertjes in. Do you have aids/hiv? vul daar maar ‘ns YES op in.  Het is een vreemd gevoel om te zien hoe ze iets invoeren op een Chinese computer, en hoe daar plots je naam verschijnt, met een heleboel gegevens.  Okee, we zijn door fase 1, nu 8 km niemandsland door.

Met 6 passagiers en 12 koffers in een minibus en toch lachen

De minibusjes staan al klaar, ze duwen onze bagage erin, en ons ook als sardienen, en daar gaan we,  nog dieper naar de rivier. Langs deze smalle bergweg staan nu de vrachtwagens die van Nepal komen in een gigantische file. Na een paar kilometer zitten we vast, we kunnen niet meer voor of achteruit. Voor ons beginnen Chinezen hun handelswaar op hun rug over te laden. Wij beseffen wat ons te doen staat: uitstappen en te voet verder. Het lijkt een volksverhuizing, we slepen onze bagage over de modderweg langs vrouwen met 2 grote gasflessen op hun rug, een man met een kast, jongens met kubieke meters stoffen.  Dan zijn we aan de brug. Opnieuw aanschuiven,  opnieuw een Chinese grenspost.  De brug over, dan de Nepalese grenspost  – de militair daar heeft een mitraillette – en we zijn in Nepal.

Nu is het simpel: alle bussen rijden naar de hoofdstad Kathmandu. 7 uur rijden. Dit heb ik nog nooit gezien: de vloer van de bus is een halve meter verhoogd, omdat er dozen op gestapeld zijn, met drank. En daar lopen we op, we moeten oppassen dat we ons hoofd niet stoten tegen het plafond. Voorts is elk hoekje volgestrouwd met goederen, rugzakken en voedsel. Wat er niet in kan, gaat op het dak. En daar zitten ook al een stuk of 10 passagiers. Wij vinden nog net een hoekje binnen achteraan, en daar gaan we. De weg is voor de verandering opgebroken. En voortdurend springen er passagiers bij, ze verdringen zich, het is niet bij te houden. Ze rijden hier links, het duurt even voor ik het door heb. De tegenliggers rijden tot de laatste seconde recht op elkaar af, ik denk een botsing, en dan gooit onze bus zich naar de verkeerde kant en raakt de ander op een centimeter na niet. Na een paar uur stoppen we. Zijn we er? Een local die Engels kent, komt met het bericht: Everybody out. Sleep here, tomorrow Kathmandu. Why?? There is a rock on the road. Wat is dat nu weer? Wij blijven zitten. Maar als ze de dozen drank van onder onze voeten beginnen weg te halen en door de ramen naar buiten te hijsen, weten we hoe laat het is. Johan raakt aan de praat met een Nepali die wat Engels kan, hij zegt dat er minibusjes gaan komen. We eten ons eerste Nepali food, en praten wat met Australiers die net als wij gestrand zijn. Daar is de man weer. Hij heeft 2 plaatsen in een taxi voor ons, voor 1000 rupees  – 500 fr. Da’s veel te veel, en we weigeren. Ik twijfel even, nu zitten we hier wel, maar tot m’n verbazing blijft de chauffeur nog even staan. We krijgen de prijs naar beneden tot 400 rupees voor ons 2, en we wuiven de Australiers goodbye. De “taxi” is een soort  mini waar al 2 Nepali’s inzitten. Als de weg steil omhoog begint te gaan, begint het ding te pruttelen alsof het elk ogenblik uit elkaar zal vallen. Het is duidelijk niet gemaakt voor dit soort weg, of dit soort lading. Een half uur later is het zover: we staan aan de kant met lekke band.  We zien we een bus voorbijrijden, de Australiers wuiven ons vrolijk toe. Band vervangen, en verder. Nu beginnen we van alles te ruiken. We stoppen bij een garage, oververhit. Er wordt wat geprutst onder de motorkap, er gaan 3 liters waters in. We rijden nu zo mogelijk nog trager. Telkens als de chauffeur ergens water ziet, is het stoppen, en bijvullen. Dat wordt duwen straks.

Maar we naderen de hoofstad. In Bhaktapur, op 40 km, is er iets aan de hand, massa’s volk op straat, mensen in opgewonden stemming. We zien verschillende uitgebrande olievaten en grote stenen op de weg. Tientallen bussen aan de kant, ook die met de Australiers. Dit lijkt op een roadblock. En dan wordt het helemaal spannend. Tientallen jonge kereltjes verdringen zich rond ons autootje, kloppen op de carrosserie, en roepen de chauffeur van alles toe. We mogen niet door. Er wordt op ons gewezen, en heftig geargumenteerd. Het woord beli-sher valt – Belgie. De kereltjes overleggen. En dan ineens mogen we door. Onze medepassagiers lachen opgelucht: “Beli-sher’. De weg is nu plat, dus het autootje rijdt weer 60. We zien het teken van de luchthaven, en dan opeens stoppen we, iedereen betalen en uitstappen. De chauffeur wil ons hier langs de weg dumpen. Johan besluit een scene te maken. Hij stelt de chauffeur voor de keuze: nul rupees nu, of de afspraak houden en ons tot in Kathmandu zelf brengen. Er vormt zich meteen een groepje belangstellenden. De chauffeur weigert.  Ah ja? Zonder ons was hij zelfs niet door de road block geraakt! Hij zou ons verdorie moeten betalen omdat we mee wilden rijden! De chauffeur schiet in de lach – daar heeft hij niet van terug. We stappen weer in. Onmiddellijk kruipen de 2 andere passagiers ook terug in auto, blij dat ze ook verder kunnen. Ze blijken plots wat Engels te kennen, en putten zich uit in toeristische informatie. En zo bereiken we ten slotte Kathmandu. Drie uur later, als wij al gedoucht (!!!) op een terrasje zitten te eten, zien we de Australiers zwetend hun valiezen van een vrachtwagentje halen.

In een Engelstalige krant de volgende dagen lezen we over een moordpartij op 18 mensen onder wie de zoon van een minister. Niet in Kathmandu zelf , maar in een uithoek van het land. De maoisten zijn woedend omdat de beloofde verkiezingen uitgesteld zijn. De road block zou een actie geweest zijn van de buschauffeurs die betere werkvoorwaarden eisten. Er zou expliciet gevraagd zijn om toeristen niet te hinderen. Als we navraag doen, blijven de antwoorden vaag. Het fijne zullen we er nooit van weten.

http://news.bbc.co.uk/2/hi/south_asia/7033689.stm

8 volle dagen in een jeep is wel genoeg, zelfs al is het een Toyota. De laatste dag zal ons tot aan de Nepalese grens brengen, van Saga tot Zhangmu. Acht uur vertrekken, zei onze chauffeur. Intussen weten we dat dat “voor 10 uur” betekent. Zodat we niet meer om 8 uur gepakt en gezakt zitten te rillen in de kou, terwijl hij nog doodgemoedereerd ligt te slapen. We begrijpen niet goed waarom hij op tijd wil vertrekken, dit laatste stuk is “the Friendship Highway”, een weg die alle toeristen nemen op hun doortocht naar Nepal. Een paar uur later weten we waarom. In het laatste stadje voor Zhangmu, staan we plots voor een afsluiting. 4 jonge gastjes verdringen zich rond de jeep. We mogen niet verder. Geen politie, geen pascontrole. Just stop. Uitstappen zegt de chauffeur, en wachten tot 6 uur vanavond.  Waarom, daar hebben we het raden naar. En we zijn niet alleen: aan de kant vormt zich weldra een lange rij toeristenjeeps die niet door mogen. Vrachtwagens en locals mogen wel door. Niemand kan ons informatie geven, en wie het wel kan, spreekt geen Engels of Chinees. Dus dan maar eten: we vinden een Sichuanrestaurant, ik ben dol op pikant en binnenkort zal het daarmee wel gedaan zijn. Nauwelijks zijn we klaar, of daar is onze chauffeur terug, gehaast, helemaal niet z’n stijl. Leave now. We lopen naar de jeep, hij doet me teken dat ik plaats moet maken naast me op de achterbank. Er springt 1 van die jonge gasten in, en nu mogen wij – als enige jeep – door de afsluiting. Waarschijnlijk is de deal dat we die gast gratis moeten laten meerijden. Ik voel een diepe minachting, maar intussen kunnen we toch maar verder.

wegenwerken op de Friendship Highway

En nu begint het. Dit is erger dan de Gobi – maar om andere redenen. We rijden langs een diep dal, op een weggetje tegen de berg aangekleefd . De Chinezen zijn die weg aan het heraanleggen. Gigantische machines graven stukken grond weg, verplaatsen stenen, of gieten beton. We balanceren geregeld op 5 centimeter van een afgrond. Ik kijk niet opzij, maar concentreer me op de wegenwerkers. Het lijkt wel of de middeleeuwen terug zijn. Vrouwen werpen losgeboorde stukken steen in een mand die ze op hun rug dragen, mannen hangen meters hoog zonder enige bescherming tegen de rotswand, jongens rijden met grote kruiwagens langs de afgrond. En onze jeep daartussen. De tenten waar de werkers in slapen, staan hier en daar op een breder stukje weg. Er hangt wasgoed aan te flapperen. Ik bedenk dat ze daarom ook veel vrouwen tussen de werkers hebben, die kunnen meteen ook koken.

Het is 19 uur en bijna donker als we in Zhangmu aankomen. Ik vraag me af wat er zou gebeurd zijn als we tot 18 uur hadden moeten wachten met vertrekken.

 de porter die tine de Kailash oversleepte

Nooit gedacht: ik heb het gehaald. Zowat letterlijk omhoog  geduwd door Johan en over de col getrokken door onze porter, ik geef het toe – maar toch. En geen zuurstoffles nodig gehad! Wel veel gehijgd en gekreund, maar ik heb het gehaald. M’n knie heeft het ook gehouden. Wellicht is dat de eerste beloning van de goden. Want op kwijtschelding van zonden zal ik maar niet rekenen. Daarvoor zijn meerdere Kailash Kora’s nodig. Alleen m’n neus is een wrak, rood ontstoken van het bevroren snot dat er 3 dagen aangehangen heeft. Maar daar heb ik een uitstekend zalfje voor.

Het is een geweldig gevoel om weer op ons uitgangspunt aan te komen, het stinkdorpje Darchen. 3 dagen geleden hebben we het achtergelaten in volle rust, en vandaag staan er 5 vrachtwagens met een arrogant wapperend Chinees vlaggetje, 2 bulldozers, 2 betonmolens, en 3 van die typische tenten waar wegenwerkers in slapen. Het geluid van drilboren komt ons toegewaaid. Ze hebben funderingen voor 5 huizen gelegd. Over een paar jaar is dit gat een toeristisch centrum met sterrenhotels en een autostrade en leveren ze de toeristen af halverwege de col, om ze vervolgens meteen weer naar beneden te rijden. We hebben misschien wel de laatste stukjes authentiek Tibet gezien.

wegenwerkers aan de Kailash-snelweg

We willen hier weg, naar onze volgende bestemming: het heilige Manasarovarmeer, 4700 hoog, tegenover de Kailashberg. Maar dat is buiten onze chauffeur gerekend. Als we hem eindelijk vinden, zit hij driftig te spelen – een soort combinatie van domino en poker – en hij is aan het winnen, er ligt een dik pak geld naast hem. Via z’n speler-collega die wat Engels blijkt te kennen, proberen we op hem in te praten, maar niets gebaat. Spelen gaat voor. We kunnen niet anders dan nog 1 nacht in dit gat slapen.

Manasoravameer het moment voor zonsopgang

Het Manasarovarmeer strekt zich blauw uit, en wij staan aan de rand. Wij zijn de enige toeristen. Zelfs geen Hollanders. Dit is eeuwigheid, aan het einde van de wereld.  In ons guesthouse zit de hospita vrolijk te gsm-en. Als de avond valt, hangt ze een batterij aan de spaarlamp en we hebben licht. Van een toilet, laat staan een badkamer, nog steeds geen spoor. Ach wat, we zullen stinken tot in Nepal.

 het begin van de kora

Het is zover. We staan klaar, gewapend met zuurstofflessen, mondvoorraad en veel water. Visioenen van afgevroren tenen, gesprongen aders in m’n hoofd en langzame vriesdood hebben me vannacht in m’n dromen bestookt. Johan blijft onmenselijk rustig onder m’n paniek. Om 9 uur is de afspraak met onze porter – gisteren hebben we kennis gemaakt en alles besproken.

Om tien over negen geen porter te zien. Het is niet waar. Nu moeten we alles nog zelf dragen ook. Een Tibetaanse vrouw verschijnt en duwt een man in onze richting. Helemaal niet de jonge kerel met wie we onze afspraak hebben gemaakt. Is dat? Ja, dat is de porter. Hij gooit onze rugzak over z’n schouder. Hij weet de weg.

Mount Kailash

Er zijn niet veel toeristen die nu nog uitrukken om de kora te lopen. Het seizoen loopt af eind september. De vrouw van het reisbureau heeft ons gewaarschuwd: het is mogelijk dat er teveel sneeuw ligt op de pas. (5640 meter). In dat geval is de afspraak dat we geen ronde tocht maken, maar dan komen we op dag 2 gewoon terug. Toen we vroegen of ze niet even kon bellen om te informeren, was haar laconieke antwoord: you have to ask the the people that come back from the kora. Dat doen we dus. Van de Britse Helen hadden we al gehoord dat ze 3 zuurstofflessen nodig had gehad om dag 2 door te komen. Die kosten 1,5 euro per stuk, ze zitten nu in onze rugzak. Wegen niets. Misschien zit er niets in.

zuurstoffles

Helen had ook een man gezien van wie de tenen bevroren waren. “I think he must have lost them by now”.

Tussen Paryang en Darchen komt een Toyota Landcruiser uit de andere richting. We stoppen. Phil en Debby komen net terug van de kora. “Do you know any of your friends doing a crazy thing like this?” Het is nog maar het begin van een stortvloed. Ze is op dag 2 moeten terugkomen, niet bovengeraakt. I was so sick! And so cold! Hope your sleeping bags are warm enough. At night her ass was freezing off. 

Hebben ze dan geen extra dekens in de kloosters, vraag ik. Forget it! And I was sleeping in special silken underwear, look. Ze toont me 1, 2, 3 lagen van dik zijden goed dat ze onder haar gewone kleren draagt. Tot en met een lange rode onderbroek.  And  I hope you have special sunglasses, there’s so much snow, it’s dangerous.  Als ik me beleefd uit de voeten wil maken, stopt ze me een plastic zak met koekjes in de hand. Here, there’s no food up there, you will need these.

Vlak voor Darchen worden we voorbijgereden door een andere landcruiser. Tien minuten later staat hij aan de kant met lekke band. Onze chauffeur stopt - Toyota’s helpen Toyota’s. De inzittenden: een jong Chinees koppel. “I have decided not to walk the kora”, vertrouwt hij ons toe. “Have you got enough medicine with you?  Especially for the height, your head, you can die if you don’t go to hospital”. Gelukkig is  de band snel vervangen. Morgen lopen wij de kora.

vrouw met koeien

De chauffeur van onze Toyota Landcruiser is zwijgzaam, en we ontdekken al snel waarom. Hij spreekt geen woord Engels.  Ook geen Chinees. Daar zit Johan dan met z’n taallessen. De man is Tibetaan. Het enige wat hij voor ons verstaanbaar uitbrengt, is de naam van de dorpen waar we naartoegaan. Omdat die op ons papiertje staan. Gyantse, Shigatse, Lhatse, Saga, Paryang, Darchen, da’s de route. Timing: 5 dagen heen, 5 dagen terug, 3 dagen kora rond de Kailash. We rijden naar het westen, over wegen die ze letterlijk aan het aanleggen zijn terwijl we erover rijden. Over een jaar bereik je dit “quasi onbereikbare stukje Tibet” via autosnelwegen.

Er is iets met de temperatuur hier. De zon schijnt hardnekkig, pijnlijk hard de hele dag. En toch is het koud. 1 moment in de schaduw en ik bibber. Het heeft iets onwezenlijks, het harde licht. En iets wreeds. Vanaf Lhatse heb ik ’s morgens alle kleren aan die ik bij heb: zijden hemdje, t-shirt,  pulletje, fleece, windstop, gore-tex en wintermuts. Ik blijf het koud hebben. Ook met de logies gaat het gestadig achteruit. In Saga is het ’s morgens 3 graden in onze “kamer”, in Paryang zijn de ramen aangevroren. Het “toilet” is geevolueerd van een hok op de binnenplaats, naar een zogenaamd openbaar toilet 500 meter buiten de dormitory –  in het midden van de open vlakte. Als je er binnenkomt val je zowat flauw van de stank, de stronten liggen overal waar je kijkt en in alle kleuren. 1 keer komt een hond aan me ruiken terwijl ik neerhurk.

Ik begin me af te vragen of die Kailash-trip wel zo’n goed idee is.

Het is gebeurd: we hebben  een “permit” aangevraagd. Alles wat we op eigen houtje konden gaan bezoeken hier in de buurt van Lhasa, hebben we bezocht. Maar we willen naar het Westen, en daar is geen openbaar vervoer naartoe. En dus zijn we aangewezen op een jeep, dus op een reisbureau, en die laten ons betalen voor permits. Teveel uiteraard, maar alle reisbureau’s vertellen hetzelfde verhaal. En anders raken we er niet. In Azie is dit 1 van de meest onbereikbare reisbestemmingen – als dat geen uitdaging is. 

We willen een bedevaart ondernemen, een kora van 53 km, rond de allerheiligste berg in dit gebied: Mountain Kailash. In oude hindu-teksten noemen ze hem “de Navel van de Wereld” of “Home of the Gods”  Deze berg houdt de sleutel voor het drainagesysteem van het Tibettaans platteau.  De 4 grootste rivieren uit het Indische subcontinent zouden hier ontspringen: Indus, ganges, Sutlej, Brahmaputra. Tibettanen ondernemen de heilige tocht errond in 1 dag. Wij Westerlingen gaan er 3 dagen over doen, en onderweg overnachten in tempels. In klokwijzerszin uiteraard. Ons hoogste punt: 5640 meter. Als de sneeuw niet te dik ligt, anders komen we terug.  

Morgenvroeg vertrekken we met jeep en chauffeur, het niemandsland in. Dit is ons grootste avontuur totnutoe. Over 14 dagen hopen we opnieuw de bewoonde wereld te bereiken: de Nepalese grens. We zullen allen die dit lezen warm aanbevelen bij de goden. 

rode montuur-monnik

Je hebt er met gele hoeden, met rode hoeden, en met streepjeshoeden. Maar allemaal zijn ze gehuld in gedrapeerde rode stof en hebben ze blote armen. Meestal dragen ze sportschoenen, hebben ze hun gsm bij, en dragen ze een plastic zakje met eten. Ze lachen veel, en ze blijven ons fascineren. 

Bedelmonniken zitten te neurien op de grond, en wijzen enthoesiast naar een stuk karton waar geld op ligt. Of ze komen naar ons toe met hun handen vol geldbriefjes, en duwen die onder onze neus, als uitnodiging om er nog wat bij te steken. ‘t Is in elk geval iets vriendelijker dan de kinderen hier die op ons afstormen “Hello money!”

Op het dakterras waar we lezen en boterthee drinken, komen er 2 monniken tegenover ons zitten. Ze wijzen naar Johan z’n nek, dat die pijn moet doen van in z’n boek te kijken. Dan wijzen ze op m’n zonneclip. Ik zet ze op m’n bril en toon hoe het werkt. De linkse monnik wil hem absoluut opzetten, daarna ook m’n leesbril. Johan zegt dat we uit Belgie komen en legt onze reisroute uit. Zij komen uit Sechuan. Dan ontdekt de rechtse monnik het Engels-Chinese woordenboekje. Hij vindt het woord “collaborate”. Wij wijzen op het woordje “married”, want samenleven uitleggen, daar beginnen we hier niet aan. Ze gniffelen. Dan toont hij het zinnetje  “My house is behind the school”. Wat bedoelt hij daarmee? We proberen met “teacher”, en ze knikken allebei. Dan begint hij weer te bladeren.

Ze willen ons absoluut trakteren, maar beseffen niet dat wij 10 keer meer betalen voor een kop thee dan zij. Als het duidelijk wordt, nemen ze onze 10 yuan (1 euro) graag terug.

Het Sela-klooster, 8 km buiten Lhasa, is beroemd voor z’n debatten, van 3 tot 5 in de namiddag. We nemen de bus en gaan kijken. Rond 3 uur horen we een groot kabaal, als van een straatmeeting, met nu een dan een knalgeluid – voetzoekertjes? We lopen in de richting van het geluid, en dit is wat we zien:

Twee uur lang  gaan ze zo door. Het lijkt een spel, en ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ze er een schepje bovenop doen, omdat ze weten dat ze gefotografeerd en gefilmd worden.