Het broeide er al toen wij er waren. Veel politie. Vlakbij ons hotel was er een legerkazerne, daar zagen we de recruten trainen, elke ochtend, met veel geschreeuw van commando’s. In elke tempel die we hebben bezocht zat er politie, meestal een duo. Thee drinkend en spelend. In de grote Jokhang tempel regelde politie het verkeer van de pelgrims: doorlopen alstublieft. Ik heb me toen de bedenking gemaakt dat het wat vreemd was: stel je voor dat hier bij ons in elke kerk flikken zouden zitten. En wat een vernedering voor de bewoners, de monniken, die van ’s morgens tot ’s avonds bij hun religieuze activiteiten op de vingers werden gekeken. Tegenover het Potala Paleis: een vers aangelegd plein, gigantische oppervlakte, met in het midden een monument van de communistische partij, en een arrogant wapperende Chinese vlag. Een kaakslag voor het onafhankelijkheidsgevoel van de Tibetanen.

tegenover het potala paleis

En nergens, nergens een foto van de huidige Dalai Lama. Op onze tocht rond de Kailash, ver van de bewoonde wereld, kregen we de enige beeltenis te zien - onze gids haalde een klein medaillon te voorschijn dat hij om z’n nek droeg. Stopte het snel weer onder z’n kleren. De volgende dag, op de col, schreef hij een woord in de sneeuw: FREEDOM.