Ajanta, boeddhatempel uitgehouwen in basaltrots<

Het is godgeklaagd. Wat bezielt perfect gezonde mensen om een etmaal en meer door te brengen in een kunstmatig koud geblazen omgeving? Buiten is het een aangename 25 graden, binnen vriest onze adem ongeveer aan de ramen, en raast er een soort luchtstorm van ettelijke beauforts. Iedereen hult zich in dekens en dikke jassen. Zelf draag ik lange mouwen, een lange broek en een fleece, een sjaal rond m’n hoofd, daarboven m’n baseballpet, ik heb me m’n zijden slaapzak om me heen gedrapeerd, een steriel doekje voor m’n neus en mond, maar niets gebaat. Na een kwartier zit ik te klappertanden. Om me heen begint het ziekelijke gehoest. Niet zomaar hoesten, nee, onbedaarlijk geblaf van longontstekingen of op z’n minst chronische aandoeningen. Kinderen het ergst. We zijn op weg van Arambol aan de kust naar het binnenland: Aurangabad. Dat wordt onze uitvalbasis om de boeddhistische tempels te zien, 2000 jaar geleden uitgehouwen uit basaltrotsen. Johan wil er absoluut naartoe. Deze keer wilden we slapen op de sleeperbus, en dus hebben we een zetel gereserveerd in een volvobus – een bus met veringen. Maar dus ook met airco. Tegen de ochtend zitten m’n ogen dicht, m’n stem is weg, en m’n slijmvliezen hebben opnieuw de noodtoestand afgekondigd. M’n stemming bereikt een absoluut dieptepunt, als de bus stopt voor thee. How much? vraag ik. 5 rupees. Als ik opsta om te betalen, ontstaat een situatie die we nu al 100 keer hebben meegemaakt: no, 10 rupees, tea is 10 rupees. Want we zijn immers toeristen.
En intussen hebben we geboekt voor de hipste stad van India: Mumbai. In een Volvobus. Met airco. Vanavond vertrekken we.