8 volle dagen in een jeep is wel genoeg, zelfs al is het een Toyota. De laatste dag zal ons tot aan de Nepalese grens brengen, van Saga tot Zhangmu. Acht uur vertrekken, zei onze chauffeur. Intussen weten we dat dat “voor 10 uur” betekent. Zodat we niet meer om 8 uur gepakt en gezakt zitten te rillen in de kou, terwijl hij nog doodgemoedereerd ligt te slapen. We begrijpen niet goed waarom hij op tijd wil vertrekken, dit laatste stuk is “the Friendship Highway”, een weg die alle toeristen nemen op hun doortocht naar Nepal. Een paar uur later weten we waarom. In het laatste stadje voor Zhangmu, staan we plots voor een afsluiting. 4 jonge gastjes verdringen zich rond de jeep. We mogen niet verder. Geen politie, geen pascontrole. Just stop. Uitstappen zegt de chauffeur, en wachten tot 6 uur vanavond.  Waarom, daar hebben we het raden naar. En we zijn niet alleen: aan de kant vormt zich weldra een lange rij toeristenjeeps die niet door mogen. Vrachtwagens en locals mogen wel door. Niemand kan ons informatie geven, en wie het wel kan, spreekt geen Engels of Chinees. Dus dan maar eten: we vinden een Sichuanrestaurant, ik ben dol op pikant en binnenkort zal het daarmee wel gedaan zijn. Nauwelijks zijn we klaar, of daar is onze chauffeur terug, gehaast, helemaal niet z’n stijl. Leave now. We lopen naar de jeep, hij doet me teken dat ik plaats moet maken naast me op de achterbank. Er springt 1 van die jonge gasten in, en nu mogen wij – als enige jeep – door de afsluiting. Waarschijnlijk is de deal dat we die gast gratis moeten laten meerijden. Ik voel een diepe minachting, maar intussen kunnen we toch maar verder.

wegenwerken op de Friendship Highway

En nu begint het. Dit is erger dan de Gobi – maar om andere redenen. We rijden langs een diep dal, op een weggetje tegen de berg aangekleefd . De Chinezen zijn die weg aan het heraanleggen. Gigantische machines graven stukken grond weg, verplaatsen stenen, of gieten beton. We balanceren geregeld op 5 centimeter van een afgrond. Ik kijk niet opzij, maar concentreer me op de wegenwerkers. Het lijkt wel of de middeleeuwen terug zijn. Vrouwen werpen losgeboorde stukken steen in een mand die ze op hun rug dragen, mannen hangen meters hoog zonder enige bescherming tegen de rotswand, jongens rijden met grote kruiwagens langs de afgrond. En onze jeep daartussen. De tenten waar de werkers in slapen, staan hier en daar op een breder stukje weg. Er hangt wasgoed aan te flapperen. Ik bedenk dat ze daarom ook veel vrouwen tussen de werkers hebben, die kunnen meteen ook koken.

Het is 19 uur en bijna donker als we in Zhangmu aankomen. Ik vraag me af wat er zou gebeurd zijn als we tot 18 uur hadden moeten wachten met vertrekken.