de porter die tine de Kailash oversleepte

Nooit gedacht: ik heb het gehaald. Zowat letterlijk omhoog  geduwd door Johan en over de col getrokken door onze porter, ik geef het toe – maar toch. En geen zuurstoffles nodig gehad! Wel veel gehijgd en gekreund, maar ik heb het gehaald. M’n knie heeft het ook gehouden. Wellicht is dat de eerste beloning van de goden. Want op kwijtschelding van zonden zal ik maar niet rekenen. Daarvoor zijn meerdere Kailash Kora’s nodig. Alleen m’n neus is een wrak, rood ontstoken van het bevroren snot dat er 3 dagen aangehangen heeft. Maar daar heb ik een uitstekend zalfje voor.

Het is een geweldig gevoel om weer op ons uitgangspunt aan te komen, het stinkdorpje Darchen. 3 dagen geleden hebben we het achtergelaten in volle rust, en vandaag staan er 5 vrachtwagens met een arrogant wapperend Chinees vlaggetje, 2 bulldozers, 2 betonmolens, en 3 van die typische tenten waar wegenwerkers in slapen. Het geluid van drilboren komt ons toegewaaid. Ze hebben funderingen voor 5 huizen gelegd. Over een paar jaar is dit gat een toeristisch centrum met sterrenhotels en een autostrade en leveren ze de toeristen af halverwege de col, om ze vervolgens meteen weer naar beneden te rijden. We hebben misschien wel de laatste stukjes authentiek Tibet gezien.

wegenwerkers aan de Kailash-snelweg

We willen hier weg, naar onze volgende bestemming: het heilige Manasarovarmeer, 4700 hoog, tegenover de Kailashberg. Maar dat is buiten onze chauffeur gerekend. Als we hem eindelijk vinden, zit hij driftig te spelen – een soort combinatie van domino en poker – en hij is aan het winnen, er ligt een dik pak geld naast hem. Via z’n speler-collega die wat Engels blijkt te kennen, proberen we op hem in te praten, maar niets gebaat. Spelen gaat voor. We kunnen niet anders dan nog 1 nacht in dit gat slapen.

Manasoravameer het moment voor zonsopgang

Het Manasarovarmeer strekt zich blauw uit, en wij staan aan de rand. Wij zijn de enige toeristen. Zelfs geen Hollanders. Dit is eeuwigheid, aan het einde van de wereld.  In ons guesthouse zit de hospita vrolijk te gsm-en. Als de avond valt, hangt ze een batterij aan de spaarlamp en we hebben licht. Van een toilet, laat staan een badkamer, nog steeds geen spoor. Ach wat, we zullen stinken tot in Nepal.