You are currently browsing the monthly archive for november 2007.

Hier in Udaipur is ooit een Bondfilm gedraaid. In de restaurents spelen ze elke avond “Octopussy” op een televisieschermpje. Wij kijken uiteraard ook. Als ik even opsta om de klank harder te zetten, zit er een geit op m’n stoel. Letterlijk. Op het menu staat de prijs voor cold drinks: coke, sprite, fanta, lemon, orange, soda : 15 rupees (13Bfr). Voor de zekerheid staat erbij: only one of these. Diezelfde veiligheid is ingebouwd in de naam van het guesthouse: Shiva’s Paying Guesthouse.
We bezoeken het City Palace, en krijgen daar volgende vestimentaire demonstratie.
Het guesthouse waar we zitten wordt gerestaureerd. Onze gastvrouw is een typisch Indische mama, dat is: bemoeiziek, bazig, maar onweerstaanbaar. You feel at home here. En dat doen we ook. Vanaf dag 2 kunnen we geen stap meer zetten of we moeten ons verantwoorden. Where you go now? My husband drive you, not expensive. De husband ligt – als een typisch Indische man – ergens te slapen. Hij krijgt ervan langs in het hindi. Het wordt een heksentoer om ten slotte toch alleen te mogen vertrekken.
You eat here. Ze geeft ons een menukaart met 30 schotels erop. We kiezen zorgvuldig, en geven de bestelling op. Not fresh, you eat Dum Aloo and Mixed Vegetables. En dat eten we – overigens voortreffelijk klaargemaakt. Tijdens de volledige maaltijd blijft ze bij ons staan. My husband helps me, but forget. We make hotel more beautiful, but many many money. No guests, big problem. No money for school. You eat here tomorrow? I prepare chicken, my husband buy. We durven niet anders dan ja zeggen. You buy souvenir, I go with you, brother shop. Good discount. Come. Ik ontwikkel een plotse hoofdpijn, en zo raken we in onze kamer. In het donker horen we hoe de husband opnieuw de volle laag krijgt.
Om vijf uur (sic) opgestaan, want onze trein naar Jodhpur vertrekt om 6u10. De reservatie bemachtigen heeft weer veel zweet gekost: no place, Johan maakt zich kwaad, krijgt een welwillende Indier te pakken die zich ermee moeit, en die de ambtenaar mee onder druk zet, en plots ligt daar wel een ticket, met gereserveerde plaatsnummers. Het doet me een beetje denken aan onze Belgische post, vijftien jaar geleden. Ambtenaritis. Om 6 uur valt de elektriciteit in het station uit, en dus ook alle informatieborden. Een kwartier later horen we een laconieke aankondiging dat onze trein 4 uur vertraging heeft. The company is deeply regretted. We trainen ons in Boeddhistische aanvaarding. We zitten en wachten. En weten niet wat we zien als aan het perron aan de overkant een trein wordt aangekondigd.
Om half 11 rijdt onze trein binnen, we gaan op zoek naar onze zwaar bevochten gereserveerde plaatsen 9 en 10. De beambte van de wagon controleert onze tickets. Als we hem vragen waar seat 9 en 10 is, zegt hij: “Anywhere”.
Jodhpur is middeleeuws, we komen aan om 10 uur ’s avonds.
We krijgen kamer 9 in een oud huis van 5 verdiepingen, vlakbij het oude fort.

Alleen stinkt het een beetje. Ik vergis me van kamer, en steek m’n sleutel in het slot van kamer 7. Ze gaat open. De hoteleigenaar roept van boven: “Wrong door!” “But the door opens with this key!” Hij zegt: “Yes, sometimes the same, sometimes different.”
Op het dakterras torent het fort indrukwekkend vlak boven ons.
De volgende ochtend ontdekken we de oorzaak van de doordingende geur in het huis. Er blijkt een kalf te wonen op het gelijkvloers naast de keuken.
<

We zijn in Agra, ik zie de Taj Mahal, bij zonsondergang, zonsopgang, op de middag, ’s nachts, in het water. Ja, hij is mooi, hij is voortdurend gehuld in een soort waas waardoor je de indruk krijgt van een fata morgana. Johan maakt slechts een 100-tal foto’s.

Intussen ben ik erachter wat die opschriften achter op de auto’s betekenen. “Horn please”. Ik dacht (!) dat het was: hou je een beetje in en toeter niet teveel. Maar het betekent letterlijk wat er staat: toeter ajb. Een voertuig in het verkeer toetert, anders is het niet aanwezig. Ik leer nu heel veel nieuwe dingen op korte tijd. vb dat hier openlijk huwelijken gearrangeerd worden, via advertenties in de krant. “suitable match for brahmin beautiful attractive 30/5′77 (=1m60??) , high position earning six digit salary”.
De dingen hebben hier ook een andere betekenis. “The train is arriving shortly” wil zeggen: over een uur of twee. “Sorry no tickets, the train is full” betekent: ik heb geen zin om een ticket uit te schrijven. En het antwoord op de vraag “Where can I find the hotel?” “Over there”, met een gebaar naar de overkant, moet je interpreteren als : geen flauw idee, laat me met rust”.
Maar de Taj is prachtig.


Om vijf uur zijn we op en haasten ons opnieuw naar het station. Johan slaagt erin, na veel geduw en getrek – een queue is hier totaal onbekend – tickets naar Lucknow te bemachtigen, tweede klas. We zitten gedurende 5 uur met 4 op een bank voor 3. De raampjes hebben dwarse tralies, zodat je je in een beestenwagen waant. Maar eigenlijk valt het nog mee.
In Lucknow wordt het echt spannend. Daar zouden bussen naar Agra zijn. We haasten ons naar het busstation. En ja, er gaan bussen, maar niemand wil ons een kaartje verkopen. Ook over de uren is er geen eenstemmigheid: de ene beambte zegt 15u, de andere 18u, de andere 20u, nog een andere 18u30. We besluiten het enige te doen wat we kunnnen: zitten en wachten. Durven ook niet wegggaan, want stel dat er een bus komt? We willen er perse op, en wie eerst is, heeft plaats. Maar waar stopt die bus naar Agra? Er zijn 40 plaatsen, verspreid over een groot terrein. Afhankelijk van aan wie we het vragen, is het nummer 2, 9, 30 of 12. Ik krijg het geweldig op m’n heupen. Dit is duidelijk China niet, waar je maar moest vragen, en je had het al. Of Nepal. Dit is een totaal andere mentaliteit. Het kan hen ook niet schelen of je geholpen wordt of niet. Toppunt zijn de ambtenaren. Na een kleine scheldpartij haalt er een ten slotte zuchtend een blad boven waar de uren van de bus op staan. Wat meer is: er blijkt een nachtbus te gaan met airco! Maar een ticket kan hij ons daarvoor niet geven. Ik ga m’n beklag doen bij een chauffeur, en tot m’n verbazing gaat die met met mee, en nu krijgen we wel een kaartje. Ja, dit is India.

De bustocht naar Sunauli aan de Indisch-Nepalese grens verloopt zoals we het intussen gewend zijn - mensen die meer uit de bus hangen dan erin, en bagage geduwd tot ze vast zit. Als we m’n rode valies terugkrijgen, is er weer een stukje af: een van de beschermdoppen onderaan. Op die plaats steekt er nu pathetisch een vijs naar buiten. Een rikshaw brengt ons naar de grenspost, waar we onze laatste Nepalese briefjes wisselen – aan een te lage koers. Dit is India!
Het is intussen 14u, we willen graag snel doorreizen. Een man biedt ons een ride aan in z’n jeep. Hij toont ons 2 neerklapbare zitjes achteraan waar normaal de bagage staat. 200 rupees – 5 euro. Als we vertrekken, blijken er op die 2 zitjes 5 mensen te moeten zitten. Hij heeft ze ook aan een gezin met met een kleuter verkocht. We aarzelen, maar het is te aanlokkelijk, dan zijn we over 2 uur in Gorakpur, en hebben we alle tijd om de nachttrein naar Agra te nemen. De rit is hels, we zitten tegen elkaar gepakt, een been van de ene, een been van de andere, want het is smal. Na een kwartier wordt het kleine meisje ziek en kotst – gelukkig uit het raam. Als ze haar gezichtje weer binnenhaalt, hangt het vol. De moeder wordt nu ook ook ziek, en moet op haar beurt kotsen. Ik kijk niet meer – ik tel de minuten. En wij zijn dan nog toeristen, je moet niet vragen wat er gebeurt met illegalen overal in de wereld.
Gorakpur is onvriendelijk, stinkend en vies. Johan haast zich naar de Tourist Information en komt na een uur terug met goed nieuws; er zijn blijkbaar nog veel plaatsen op de sleepertrein naar Agra. Hij moet nu met een reservatiepapiertje gaan aanschuiven voor de tickets. Ik blijf zoals gewoonlijk bij de bagage, tussen de massa slapende en zittende mensen op de grond. Even later lopen er 2 koeien voorbij, die hebben waarschijnlijk ook slaapplaatsen gekocht. Johan blijft lang weg. Meer dan 2 uur, intussen is het donker. Eindelijk. Geen tickets. Alles uitverkocht. En niet alleen voor deze trein, voor de hele volgende week. Zelfs geen derdeklasplaatsen: de hele wereld heeft blijkbaar deze week geboekt om in Agra te zijn. Terwijl Tourist Information beweerde dat er nog veel plaatsen waren! We zijn even de kluts kwijt. We zitten vast in dit gat! Er zit niks anders op dan een kamer te zoeken, en morgen uit te kijken naar een bus. Want hier in Gorakpur is niks te zien. Behalve dan een lizard boven m’n bed. Brrr.

Ik wou zo graag op een olifant door de jungle rijden, en dat gaan we vandaag doen. Werkolifanten, zo heten ze, en ze worden hier speciaal gekweekt en getraind. Tijdens de rit zal ik merken hoe. Het elephant breeding cente is een gigantisch succes: 26 baby olifanten geboren op 30 jaar tijd. Als je weet dat een olifant 2 jaar zwanger is, en 2 jaar zoogt, is dat inderdaad heel wat. De mannetjesolifant die voor bevruchting moet zorgen, is intussen al lang niet meer aan het werk. De vrouwtjes – aan de ketting -worden geregeld ’s nachts besprongen door wilde olifanten die een feestje komen houden. Het is zo erg dat ze nu elektriciteit op de afsluiting hebben gezet. Maar de elektriciteit valt hier zowat elke avond een paar uren uit. En ivoor is ongevoelig, dus die wilde olifanten hebben geleerd om de draad met hun tanden naar beneden te houden, en er dan over te stappen. Ja, dan zijn die mannen inventief….
We moeten met 4 in een houten bak van een goeie vierkante meter. De driver zit in de nek – elke olifant heeft z’n persoonlijke driver. Hij heeft een prikstok. De olifant heeft achter achter z’n linker oor een open wonde. Als hij niet gehoorzaamt, zet de driver z’n voet erin, en wrijft met z’n teen.

Tiger Lodge in Sauraha voelt een beetje fake aan – een reeksje bungalows die ons het gevoel moeten geven dat we kamperen. Maar het ligt prachtig aangevleid tegen de jungle, alleen de rivier scheidt ons. Daar zitten ze dus, de tijgers, rino’s, beren en krokodillen. Hier in Chitwan National Parc is het de enige plaats in Nepal waar toeristen onder stricte begeleiding te voet de jungle in mogen. De manager van de Lodge geeft ons wat advies voor onze tocht: geen felle kleuren dragen, camouflage groen en bruin graag, zeer stil zijn, en zeer goed de gids volgen. Want het wordt most dangerous and exiting. We gaan 5 km de jungle in. Onze gids, Krishna, komt ook al even kennismaken. Hij prent ons de veiligheidsvoorschriften in: hij loopt voorop, en achter ons loopt een tweede man, allebei zijn ze gewapend met een stok. Als we een beer zien, en we kunnen niet op tijd in een boom klimmen, dan zullen ze proberen de beer met hun stok bewusteloos te slaan, en dan: lopen. Komt er een rino op ons afgestormd, dan moeten we als de bliksem achter een dikke boom springen, en de rino laten voorbijrazen. De gids zal dan een gekleurde sjaal op de grond gooien, en dan maar hopen dat de rino die aanvalt in plaats van ons. Een wilde olifant is simpeler, gewoon onmiddellijk omkeren en terugwandelen, zeker niet lopen. Hij vertelt ons ook over een krokodil aan de oever – daar – die 5 honden had verslonden en zelfs een buffel had aangevallen. Ik voel me met de minuut onrustiger worden. Dat wordt extreem spannend morgen. But the crocodile has moved upstream now, zegt Krishna. Om zes uur verwacht hij ons, het ontbijt zal klaarstaan, en dan vertrekken we per kano naar de andere oever.
Half zes zitten we klaar. Iedereen in Lodge slaapt nog, we moeten de keuken wakker maken. Maar we zien wel de eerste toeristengroep aankomen, in een kano stappen en afvaren. Onze gids is niet gehaast, wait little bit, take your time. Om half zeven nog steeds geen spoor van ontbijt. Er ontstaat nu een file aan de boten. Zeven uur, en nog steeds kunnen we niet vertrekken. Intussen is de jungle al overbevolkt met Hollanders die elkaar enthoesiast toeschreeuwen hoe leuk het hier wel is. Eindelijk, om half acht maakt onze gids aanstalten om te vertrekken. We zitten met 3 duo’s in de boot – en ze hebben alle 3 hun eigen gids. Die geven alle drie uitleg, zodat er geen touw aan vast te knopen is. Na 10 minuten is de Canadees achter ons het beu, en hij begint te vertellen waar hij overal al niet geweest is, en een licht-hysterisch Russisch meisje voor ons is druk bezig om aan de gids haar leven te vertellen. Dan gaan we aan land, op zoek naar de tijger – HA. Na een kwartier merk ik dat we helemaal de jungle niet inlopen, maar een soort zigzagbeweging maken langs de oever. We zien veel vogels en herten. En een aap. Normally many here, zegt Krishna onze gids, but today not. Hij toont ons ook een pootafdruk van een rino. Look here, normally rino comes drinking, but today not. We zien wel veel andere toeristen. Always many many. Krihna heeft blijkbaar een prostaatprobleem, om het kwartier moet hij plassen. I go looking waterfall, but no animal there. Na 2 en een half uur zigzaggen vraagt hij of de jungle walk lang genoeg heeft geduurd, want hij wil geen klachten achteraf. Wij hebben intussen genoeg gezien.
’s Avonds in onze kamer krijg ik een kleine hartstilstand van schrille kreten die uit de badkamer komen. Het zijn 3 kleine lizards die haastig wegkruipen tegen het plafond als Johan het licht aandoet. Ik doe geen oog meer dicht.

Gisteren heeft het geregend vanaf 5 uur. We weten het zo precies, omdat hier elke avond op hetzefde uur de elektriciteit uitval. Na een paar uur gaat het licht weer aan. Warm water daarentegen heeft ons hotel 24 uur op 24. Geleverd door de zonnepanelen op het dak. Wij zijn hier aan het splashen. Mooi hotel, lekker eten, en: vandaag gaan we paragliden, 600 meter naar beneden, naar het meer. Duosprong, dus wij moeten alleen maar hangen.
Onze piloten blijken Frans te zijn, uit Grenoble. Leuke kerels. Helm op – die van Johan blijkt nadien veel te klein geweest te zijn – , extra parachute voor het noodgeval, en dan worden we ingegespt. Eigenlijk had ik graag een filmpje gemaakt, maar gezien het spannende van de situatie, toch maar niet. Stel je voor dat je gsm valt. Of jijzelf. We krijgen uitleg hoe we moeten starten. Gewoon naar de afgrond toe stappen, dan lopen en blijven lopen. Zoals die mannetjes in stripverhalen die nog niet beseffen dat ze aan het vallen zijn. Ik krijg plots een niet te controleren bibber in m’n benen. Daar had ik niet mee gerekend. Ik dacht zoals een luchtballon omhoog te gaan. Niet dus. Compris, vraagt de piloot. Compris. Het wachten is het ergst. We zijn met een groep van 6, er zijn nog 4 wachtenden voor me. Wachtend op “un bon vent”. Een voor een zie ik ze naar de afgrond lopen, een gewisse dood tegemoet. Dan is het mijn beurt. Marcher! 1, 2, 3 stappen en ik ben aan de rand. Courir, pas sauter! En dan gebeurt het wonder; ik hang en glijd de afgrond in, dan hop omhoog, de wolken tegemoet. Ver achter mij zie ik Johan vertrekken.
Dit is GEWELDIG. Beter dan de kermis. We gaan in kringen omhoog, met de turbulentie mee, en komen dan weer zachtjes naar beneden. tegenover ons komt even de besneeuwde piek van een berg kijken, 600 meter onder ons blinkt het meer. Dan zie ik de arenden. 10 of meer, met reusachtige vleugels, vliegen met ons mee. Ze volgen de luchtstroom waar wij op drijven, achtervolgen ons, of blijven vlak onder ons hangen. Het is alsof ze zeggen: “Come fly with us!” Zo moet het zijn als je met dolfijnen zwemt.

De bus terug naar de “Lakeside” is overvol. Letterlijk. We laten ons er bijduwen. Johan hangt met 1 been en 1 arm buiten, samen met een jongetje en de conducteur. Onderweg zien we voor de 2de keer een koe die zich heeft geinstalleerd in het midden van de weg. Waarschijnlijk woont ze daar.
Benieuwd hoe de elephant ride zal aflopen op onze volgende bestemming : het natuurpark Chitwan. Er zitten tijgers.
We klimmen onder een aangename temperatuur, 25 gaden, de heuvel op. 550 meter. Steil. Gelukkig geen andere toeristen voor ons. Namaste! Where you from? De Nepali zijn vriendelijke mensen. Halverwege de tocht raakt johan in gesprek met een jongetje. Hij geeft ons plechtig een hand. Welcome to Nepal. My name is Surut. Hij loopt een eindje met ons mee. 2 minuten later is z’n vriendje daar ook. My friend Turin. Ze spreken allebei erg goed Engels. Het zijn rustige jongens, niet de agressieve bedelaartjes die we hier geregeld achter ons aan hebben lopen (“give rupee!”), een hele verademing. 12 jaar. Surut wil dokter worden. Om veel geld te verdienen? probeer ik. No, to help the sick people. Ik ben waarlijk aangedaan. Er is nog idealisme in de wereld. Hij wijst ons een kortere weg, geeft me een hand als ik een hoge steen op moet, en vraagt me uit. Wat ik doe, en my husband. Zij moeten vandaag niet naar school, holiday for Vishnu. De school waar we langskomen is nochtans vol met kinderen. Waarschijnlijk intern. Your husband is tall, long legs. En even later staat hij daar met een bloem voor mij. Intussen loopt Turin voorop met Johan. We hebben echt een aangename dag met de 2 jongens, delen onze picnic met hen, en moeten perse met elk van hen op de foto. Nice picture.

Als we bij het afdalen opnieuw langs hun huis komen, maak ik me klaar voor een ontroerend afscheid, en ik besluit hun adres te vragen. Ze stoppen. My house. En dan komt het. Give me money. Ik ben zo verbouwereerd dat ik het eerste briefje pak dat me in handen komt. 50 rupees, 25 fr. Ik zie aan z’n gezicht dat het veel te weinig is. Hij draait zich om en loopt weg. Heel deze opbouw, het doktersverhaal, de mini-gigolo gedrag, het is deel van de business. Waarschijnlijk specialiseren ze zich in iets oudere dames al dan niet met echtgenoot. Op de terugweg komen we hele groepen kinderen tegen. School is out.

Wij zijn de enige toeristen die geen hotel hebben als we aankomen in het trekkersstadje Pokhara. Ik ben wat ongerust, want in The lonely Planet staat, dat het in het hoogseizoen wel ‘ns vol kan zijn. En dit is hoogseizoen. Terwijl Johan onze pakken van het dak van de bus haalt, komt er een man naar me toe. Taxi, hotel? Ik zeg: first luggage. Okee, hij wacht. En dan ben ik plots omringd door 10 Nepalese mannen, zwaaiend met sleutels en hotelfolders. Good hotel! 24 hours shower! views! Het is een kakafonie van jewelste. Ik roep: “Will you be quiet please! One after the other!” Het is een noodkreet, maar tot m’n verbazing zwijgen ze abrupt. De mannen in Nepal zijn nogal klein, ik kan half op hen neerkijken – geen onaanaangenaam gevoel – en plots bekruipen me onvermoede half-koloniale gevoelens. “You first!” Hij begint, onderdanig: “nice hotel near lake, ma’m, only 6 dollars, good shower, ma’m”. “Okay, now you!” “Better hotel, Ma’m, beautiful rooms”. Een derde argumenteert: “Ma’m, I am your son, I help you the best” – hetgeen me maar matig bevalt, wan hij ziet er al oud uit. Intussen komt de man die me eerst had aangesproken terug, en roept “I have speaking time too!!” En dan beginnen ze weer allemaal door elkaar dat horen en zien me vergaat. Johan komt met de bagage en lacht zich een ongeluk. Ik roep: “Quiet please! Let me talk to my husband!’
Weer zijgen ze abrupt, gespannen wachtend op de uitslag. Ik zeg: “We choose the man who was here first.” Triomfantelijk grijpt die onze koffers, onder luid gejoel van de anderen.
De kamer is prachtig, maar te duur. We pingelen ze 3 dollar naar beneden en eindigen op 8. Everybody happy.





