vrouw met koeien

De chauffeur van onze Toyota Landcruiser is zwijgzaam, en we ontdekken al snel waarom. Hij spreekt geen woord Engels.  Ook geen Chinees. Daar zit Johan dan met z’n taallessen. De man is Tibetaan. Het enige wat hij voor ons verstaanbaar uitbrengt, is de naam van de dorpen waar we naartoegaan. Omdat die op ons papiertje staan. Gyantse, Shigatse, Lhatse, Saga, Paryang, Darchen, da’s de route. Timing: 5 dagen heen, 5 dagen terug, 3 dagen kora rond de Kailash. We rijden naar het westen, over wegen die ze letterlijk aan het aanleggen zijn terwijl we erover rijden. Over een jaar bereik je dit “quasi onbereikbare stukje Tibet” via autosnelwegen.

Er is iets met de temperatuur hier. De zon schijnt hardnekkig, pijnlijk hard de hele dag. En toch is het koud. 1 moment in de schaduw en ik bibber. Het heeft iets onwezenlijks, het harde licht. En iets wreeds. Vanaf Lhatse heb ik ’s morgens alle kleren aan die ik bij heb: zijden hemdje, t-shirt,  pulletje, fleece, windstop, gore-tex en wintermuts. Ik blijf het koud hebben. Ook met de logies gaat het gestadig achteruit. In Saga is het ’s morgens 3 graden in onze “kamer”, in Paryang zijn de ramen aangevroren. Het “toilet” is geevolueerd van een hok op de binnenplaats, naar een zogenaamd openbaar toilet 500 meter buiten de dormitory –  in het midden van de open vlakte. Als je er binnenkomt val je zowat flauw van de stank, de stronten liggen overal waar je kijkt en in alle kleuren. 1 keer komt een hond aan me ruiken terwijl ik neerhurk.

Ik begin me af te vragen of die Kailash-trip wel zo’n goed idee is.