monniken in Jokhang tempel

Als we bij de Jokhang tempel in Lhasa aankomen, de heiligste van Tibet, staan daar al duizenden pelgrims aan te schuiven.  Stokoude mannen ondersteund door hun familie, jonge meisjes op hoge hakken, vrouwen met stevig ingewikkelde baby’s van nauwelijks een paar maanden. Ze hebben grote thermoskannen bij, en plastic zakjes met een lepel erin. Hun proviand voor de dag.

Enigszins gegeneerd steken wij hen allemaal voorbij, want wij moeten naar de kassa om een ticket te kopen. En van ons wordt niet verondersteld dat we de kora gaan doen, dat is de tocht langs alle heilige kapellen in het allerheiligste van het gebouw.  Altijd met de klok mee, hebben we intussen geleerd. Politieagenten duwen ons in de file, en roepen iets dat waarschijnlijk “doorschuiven, niet treuzelen” betekent. De prevelende menigte moet door een lange smalle gang, een gedrum van jewelste. Want langs de linkerkant moet er een rij naar binnen, en langs de rechterkant komt er een rij naar buiten.

Het duwen wordt erger, het bidden intensiever, de lucht benauwder. We komen in het allerheiligste, een ronde ruimte met kapellen errond. In de tijd van de Culturele Revolutie hadden Mao’s Rode Gardes hier een varkensstal ingericht. Nu zien we hier opvallend veel politie die de massa controleert. Als ik even de parallel maak met onze katholieke bedevaartsoorden, besef ik hoe vernederend dat moet zijn: flikken die een vroom gebed onderbreken. En deze bedevaarders komen van 1000den kilometers ver.

De buitenlandse toeristen staan in het midden van de ruimte naar hun gids te luisteren, maar Johan stelt voor dat we meegaan in de stroom gelovigen en de kapellen bezoeken. Het deurtje van zo’n kapel is 1,5 m hoog en 1,2 meter breed, het is wringen om erin te raken. Je vraagt je af hoe die baby’tjes het overleven. Binnenin een doordringende walm, als wierook, maar dierlijker. En dan zien we waar die lepels en thermoskannen voor dienen. De bedevaarders gieten gesmolten boter bij de brandende wieken, en ze lepelen er yakboter bij uit hun plastc zakjes. Hoogst eigenaardige  bezigheid. Voorts duwen ze briefjes van 1 yuan (0,1 euro) in de glazen kasten waar de heiligenbeelden in staan, ze raken met hun voorhoofd het glas aan, en ze wrijven met een zijden doekje overal tegen waar ze aankunnen.  Zo gaat het uren door, de ene kapel in, de andere uit. Tot aan het immense gouden beeld  van de boeddha, met aan de zijkant een klein laddertje. Daar klauteren de bedevaarders op -jong en oud – om hun hoofd even tegen z’n gouden dijbeen te leggen. Er staat een monnik bij, die de gelovigen letterlijk in de kraag vat en ze het laddertje aftrekt, om te vermijden dat de trance te lang duurt. Als wij langskomen, kijkt hij uitnodigend of we ook willen, maar we passen. Uit respect, want met dat been hebben wij niks.