De yurt is warm, er brandt een kacheltje waarvan de rook langs een schouwpijp recht door de nok van de tent naar buiten gaat. Er staat van alles te pruttelen. De vrouw des huizes nodigt ons uit om voor het huisaltaartje te gaan zitten. “Tine, du brot machen mit etwas” Ik smeer boterhammen met choco. De man eet er wat van. Intussen zijn er drie koppen voor ons neergezet met een witte substantie. Thee. De geur is intens dierlijk. Het is zoute thee, verrassend drinkbaar eigenlijk. Onze gastheer gooit er een paar stukken gekookt vlees in, en nodigt ons uit hetzelfde te doen. Toch liever niet. Ze lachen. Dan volgt een schotel met iets dat er als witte kaas uitziet. Het is hard als steen. Hasja legt uit dat het gedroogde geitenyoghurt is. Johan past, maar ik vind het wel leuk om aan te knabbelen. Volgt een gigantische kom met “gewone” geitenyoghurt, lekker maar bitter – suiker is alleen voor de kinderen zegt Hasja – en ten slotte een delicatesse: een soort gedroogde, gelige room. Alleen een beetje moeilijk dat iedereen er met z’n handen aan zit. Want intussen is opa binnengekomen, en 2 broers, en die doen allemaal mee. Jammer dat we niet kunnen communiceren, er is een intens gesprek gaande, maar dat loopt tussen Hasja en de familie. Wij blijven de zoveelste toeristen.

Stukje vlees, gebaart de vrouw des huizes. Ook daar passen we voor. Met haar handen vist ze wat vlees uit de pan, en legt het in een kom. Opa haalt een groot mes boven, en eet er een paar stukken van. Dan volgt de rest.
Als we in het donker naar onze tenten lopen, vertelt Hasja dat bijna de helft van de 2,6 miljoen Mongolen nomaden zijn. Zes maanden trekken ze rond, de andere zes gaan ze naar hun winterverblijf, in een dorp. Onze tent is koud, ik heb nu vijf lagen nodig en lig nog te bibberen. Sliepen we maar in de yurt.






No comments yet
Feed met reacties voor dit artikel