You are currently browsing the monthly archive for september 2007.
Airag is de Mongoolse naam. ‘t Is paardenmelk die ruikt naar gist die je koopt om deeg te laten rijzen, en ze smaakt naar zuur bier met belletjes in. Je kan er erg dronken van worden. Hasja vertelt ons dat er jaarlijkse wedstrijden worden gehouden, als in het filmpje, en dan de winnaar telkens een halve liter ad fundum. een mannenzaak, maar ‘t is leuk als de teoristen het ook ns doen… ik heb het intussen allemaal begrepen: voedsel is het domein van vrouwen, zij bereiden en bieden aan.

Net voor we de tent in gingen, kwamen er 2 zwarte honden naar ons toe. Hasja gooide ze wat brood toe, en ze bleven voor onze tent liggen. Midden in de nacht klonk er een aanzwellend geluid van paardenhoeven, in de richting van de tent. Dan plots hevig geblaf van de honden. Zij dreven de paarden een andere richting uit, zodat ze de tent niet zouden beschadigen. Zelfs toen ik ging plassen weken ze geen duimbreed van mn zij. En dat allemaal voor nog een stuk brood in de ochtend. Hasja zegt dat deze honden van niemand zijn, ze leven van wat ze toegeworpen krijgen. En ze werken ervoor.
Mensen en dieren in de Gobi helpen elkaar. Waar mensen aankomen, verzamelt zich binnen de korste keren een troep kamelen….

‘t Heeft niet veel zin te schrijven over iets waar geen woorden voor zijn. Zonsondergangen, zonsopgangen, het magische moment net daarvoor, het geluid van stilte, de maan die als een spot het land verlicht. De sterren. Frank, mn broer- weerman, zou hier wild worden. De sterren staan als een grote stolp rond ons heen. Van horizon tot horizon. Hasja, onze gids, helpt ons over deze existentiele ervaring heen: hij is vast van plan om ons elke avond te entertainen. Hij heeft Abba opgezet, en toont ons onder enthoesiaste commentaar al de foto’s en filmpjes op zn gsm. Als hij merkt dat we veel naar boven kijken, begint hij een spelletje “om het eerst een satelliet vinden”. Hij wint.
Voor dag en dauw horen we het geschreeuw van de kamelen die gemolken willen worden. Bij het ontbijt is er kamelenyoghurt. Scherper dan die van geit, we bedanken beleefd. Onze gids Hasja belooft ons voor vanavond gebakken kamelenvlees.
Na 2 dagen Gobi zijn we teruggevallen op de basic behoeften van een mens: eten, drinken, kleren tegen weer en wind, dak boven het hoofd. Het weer is onvoorspelbaar: hier brandt de zon tot 28 graden, 50 km verder is het nog 18 en soms is het water in ons drinkbusje ’s morgens bevroren. Alleen de wind blaast constant. ’s Nachts slaap ik nu met 5 lagen en heb nog kou. Maar overal die leegte, dat verre uitzicht tot aan de horizon. Daardoor staan we onverwacht ook voor een heel nieuw soort probleem: waar moet je in ’s hemelsnaam je gevoeg doen zonder struik of bergje of gebouw? Voor de deur van de auto liefst toch niet, laat staan voor de tent. Dan maar met de kont bloot, 100 meter verder。Nee, dan een geit, die heeft het een stuk makkelijker hier. Maar dat is dan ook geen toerist.
De yurt is warm, er brandt een kacheltje waarvan de rook langs een schouwpijp recht door de nok van de tent naar buiten gaat. Er staat van alles te pruttelen. De vrouw des huizes nodigt ons uit om voor het huisaltaartje te gaan zitten. “Tine, du brot machen mit etwas” Ik smeer boterhammen met choco. De man eet er wat van. Intussen zijn er drie koppen voor ons neergezet met een witte substantie. Thee. De geur is intens dierlijk. Het is zoute thee, verrassend drinkbaar eigenlijk. Onze gastheer gooit er een paar stukken gekookt vlees in, en nodigt ons uit hetzelfde te doen. Toch liever niet. Ze lachen. Dan volgt een schotel met iets dat er als witte kaas uitziet. Het is hard als steen. Hasja legt uit dat het gedroogde geitenyoghurt is. Johan past, maar ik vind het wel leuk om aan te knabbelen. Volgt een gigantische kom met “gewone” geitenyoghurt, lekker maar bitter – suiker is alleen voor de kinderen zegt Hasja – en ten slotte een delicatesse: een soort gedroogde, gelige room. Alleen een beetje moeilijk dat iedereen er met z’n handen aan zit. Want intussen is opa binnengekomen, en 2 broers, en die doen allemaal mee. Jammer dat we niet kunnen communiceren, er is een intens gesprek gaande, maar dat loopt tussen Hasja en de familie. Wij blijven de zoveelste toeristen.

Stukje vlees, gebaart de vrouw des huizes. Ook daar passen we voor. Met haar handen vist ze wat vlees uit de pan, en legt het in een kom. Opa haalt een groot mes boven, en eet er een paar stukken van. Dan volgt de rest.
Als we in het donker naar onze tenten lopen, vertelt Hasja dat bijna de helft van de 2,6 miljoen Mongolen nomaden zijn. Zes maanden trekken ze rond, de andere zes gaan ze naar hun winterverblijf, in een dorp. Onze tent is koud, ik heb nu vijf lagen nodig en lig nog te bibberen. Sliepen we maar in de yurt.
Een Nissan Terrano met het stuur aan de rechterkant. Dat is ons vervoermiddel. Hasja – chauffeur, kok, tolk, gids, en dat allemaal in gebroken Duits – geeft er een lap op. 50 per uur over wegen die nauwelijks zichtbaar, laat staan berijdbaar zijn. Op de achterbank kweek ik geweldige armspieren door me vast te houden aan de zijhendels. Langs de weg vliegen roofvogels op, spurten schapen en geiten weg, en galopperen paarden voorbij. En altijd een witte yurt aan de horizon. 
Die yurts! De meeste met een satellietschotel voor hun televisie en een zonnepaneel voor hun elektriciteit. Maar geen stromend water, geen toilet, en specifieke eetgewoontes. Elke yurt heeft zn eigen geur, afhankelijk van het soort dieren dat de eigenaars kweken. Geit, schaap, of paard.
We kamperen naast geitenkwekers. “Du Tina, Suppe machen” – terwijl de mannen de tent opzetten. Ik besef dat dit noch de plaats noch het moment is voor een feministische discussie. Een nomade te paard komt aan, stopt en gaat bij de soep op de grond zitten. Hasja spreekt met hem. Ik moet hem een kom soep en brood geven. Dan vertrekt de man. We zijn we uitgenodigd om in de yurt te gaan eten, zegt Hasha.
Er reist een vlieg mee in onze coupe. Die niet eersteklasse is, zoals we hadden betaald aan Eurocult, maar een dubbele tweedeklasse. Dus 4 tweedeklassetickets! Reis nooit met Eurocult. Buiten giet het, de trein is triestig als het regent in de herfst daarbuiten. Het landschap evolueert nu naar grasland met heuvels aan de horizon. De trein maakt een nieuw geluid, hij zingt – alsof er snaren trillen op een reusachtig muziekinstrument.
Olan-Oede komt voorbij in de vroege ochtend, dan Naoesjki – de Russisch-Mongoolse grens. Het schouwspel dat ons daar wacht, tart elke verbeelding. De toiletten gaan dicht, militairen in alle kleuren uniforms maken hun opwachting in de trein. in groepjes van vier. Ze delen papieren uit – invullen, in tweevoud telkens. Later komen andere militairen ze ophalen. Het gestempel is niet van de lucht. Ze bestuderen onze gezichten. Ze sturen ons de gang op, en doorsnuffelen onze bagage. Ze kruipen met sterke lampen op de bovenste matrassen. Als de ene horde weg is, rijdt de trein 10 meter verder, en volgt de volgende. Dit tien uren aan een stuk. TIEN UUR WACHTEN! en dat allemaal omgeven met grote geheimzinnigheid en zonder enige informatie. Elk moment vrezen we geboeid te worden afgevoerd of in het toilet te worden opgesloten.

Om 23u30 plaatselijke tijd rijden we Mongolie binnen, een land van rook en mist. De Gobi Woestijn wacht. We gaan er kamperen – terug over 10 dagen.
Terug in Irkutsk blijkt Eurocult opnieuw het absoluut sjiekste hotel te hebben gereserveerd. Ze zijn nog net de gevel aan het afwerken. Het heeft ook het meest trendy restaurant van Irkutsk. De stad baadt in een soort smog en de lucht is dramatisch verschillend van die boven het meer.
Irkutsk levert ons meteen het eerste contact met Hollanders op. We lopen snel een blokje om
) Het is een stad in volle verbouwing, gevaarlijk voor nachtelijke feestvierders: overal in de trottoirs liggen diepe sleuven voor riolering, zonder enige waarschuwing, nooit gezien. De typische houten huizen handhaven zich nauwelijks naast immense nieuwbouw. Over een paar jaar zijn de meeste waarschijnlijk afgebroken. Die oude huizen staan meestal rond een binnenplaats. De meeste blijken nog bewoond. Muren zijn opgetrokken uit hele boomstammen, ramen en deuren zijn minutieus gesculpteerd. We verdiepen ons in de verhalen van de Decembristen, politieke bannelingen die hier de eerste cultuur brachten. Romantiek zat.
We maken ook kennis met het uitgaansleven. Raad! Een groep Russen, bestellen flessen vodka, staan recht, roepen heilwensen en drinken ad fundum. Daarna: karaoke, dansen en opnieuw heilwensen, nadrukkelijker deze keer. En zingen. Alle clichees kloppen. Het is tijd voor ons om naar Ulan Baator te vertrekken. Morgen gaat de trein.

Irkutsk! Het station wemelt van de Russische militairen met hun kepies, als kleine schotelantennes op hun hoofd. Afscheid van onze provodnitsas Katja en Olga, en we staan op vaste bodem. Deze keer laten we ons niet verrassen: Johan rukt meteen uit om de tickets voor het vervolg van de treinreis op te halen (zat 15/9), en vindt het kantoor in het centrum van de stad. Twee uur bus richting Baikalmeer is erg schokkend na de wiegende treinreis. De Russen zijn gesloten en zwijgzaam, maar als we een halte te vroeg willen afstappen, roepen drie oudere vrouwen tegelijk “Njiet!”. Lake Baikal ligt op ons te wachten. Eurocult heeft het duurste hotel gereserveerd, hoog boven het stadje Listvyanka. Een hotel dat helemaal klaar is voor luxueuze wintersport. Skilift, oefenpiste, sledeverhuur. Maar we zien ook een bordje “pool”. Als Johan de Russische vertaling leest, blijkt het billiard te zijn. We ontbijten helemaal alleen in een reusachtige zaal, met uitzicht op het meer. Uien en komkommers, de 2 lievelingsgroenten van de Russen. Twee diensters in volledige outfit houden de wacht. Dan dalen we af naar het meer, voor de onvermijdelijke boottocht.
Een paar menselijke ijsberen duiken in het water, aangevuurd door hun partner met camera in de hand. Wij beperken ons tot pootjebaden aan het smalle keienstrand. En dan: Omul eten, de vis die alleen in dit meer kan overleven. ’s Avonds op onze kamer horen we een diep geruis, als van een groot lichaam dat ademt. Voor het eerst raak ik niet in slaap. Ik mis het schommelen.
Ons uitzicht: taiga met daarboven een paar wolken in staalblauwe lucht. Onze lectuur: de cursus Russian for Beginners, Russian Shortstories, en Dostojewski – ooit een balling in Omsk. ’s Ochtends op de perrons dragen de mensen pullovers en jassen. Nog nooit zoveel naar treinen gekeken, en nooit gedacht het zo fascinerend te vinden: locomotieven, goederenwagens met landbouwtuigen, kranen, gigantische schroeven, veel legermaterieel, en hele boomstammen.

De provodnitsa brengt nu ook lunch: cornflakes, rijstpap, salami, brood en kaas. Njet betalen en alles opeten zo beveelt ze. Bij valavond verschijnt ze met vis uit blik, aardappels met gesmolten boter, en – uiteraard – uien en augurken. De samovar op de gang blijkt ook als kacheltje te fungeren: hoog opgestookt met houtblokken geeft het een bepaald Siberische sfeer. Omsk glijdt aan ons voorbij, Barabinsk, Novosibirsk, Krasnoyarsk. Monumentale witte stationsgebouwen. We zijn nu elk besef van tijd kwijt. Hebben we dit gisteren gedaan of vanochtend? Het is onbelangrijk. Intussen weten we dat we de enige Westerse toeristen op deze trein zijn. Wat een gepriviligieerd gevoel. We zien meer en meer Mongolen en Chinezen opstappen. Morgenvroeg bereiken we Irkutsk. Als laatste avondmaal brengt de provodnitsa soep. Solyanka. We zullen deze trein vetgemest verlaten.
kijk even mee uit het raam van onze coupe…
Nergens slaap je zo goed als in de Transsiberische trein. Dit is het ultieme reizen: aankomen en vertrekken, zonder iets te moeten doen. 4 dagen en 4 nachten. De gemiddelde stoptijd in een station is 20 minuten. Telkens verdringen verkoopsters zich met hun koopwaren, die ze in plastic emmers zo van hun veld lijken te gehaald te hebben: appels, besjes, kersen, look, augurken, uien, wortelen, aardappelen, bieten, champignons, eieren, pannenkoekjes, brood. Uiteraard ook salami, bier en vodka. Als we een paar blini’s willen kopen, grijpt provodnitsa Katja in: zij koopt, wij geven het geld. De blini’s zijn meteen de helft goedkoper. Niet dat we ze nodig hadden voor ons ontbijt: even later brengt Katja thee, en aardappelen met brood en koekjes - we hebben haar hart veroverd. Van onze medereizigers merken we zo goed als niets, hun deur is altijd dicht. Alleen 2 Russen komen nu en dan op de gang. Ze ruiken naar bier en vodka.
Het is plots kouder geworden: ik heb ’s morgens al drie laagjes nodig. We passeren de obelisk die Europa van Azie scheidt, en zien de eerste heuvels van de Oeral. Van nu af aan wordt ons uitzicht bepaald door de witte glinstering van de berkenstammen. Vanuit de verte lijken ze op de White Cliffs of Dover. In de restauratiewagen is de soep van de dag nog altijd solyanka – met zure room.





